2.1.De minister heeft de gronden in de maatregel nader gemotiveerd. Voorts heeft de minister overwogen dat een minder dwingende maatregel (een lichter middel) niet doeltreffend kan worden toegepast.
3. Hierna beoordeelt de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring. Daarbij bespreekt zij mede de beroepsgronden en toetst zij de rechtmatigheid van de bewaring ambtshalve.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de procedure voorafgaand aan de inbewaringstelling niet heeft bestreden. De bewaring is niet op die grond onrechtmatig.
5. Ook stelt de rechtbank vast dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft, omdat uit het asielbesluit van 19 juli 2025 blijkt dat aan hem op zowel 4 mei 2023 als op 1 februari 2025 een terugkeerbesluit is opgelegd. Die beslissingen staan in rechte vast. Daarom valt eiser onder de in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 genoemde categorie vreemdelingen. De maatregel is op de juiste grondslag opgelegd.
6. Eiser heeft alleen de zware gronden 3d en 3e betwist. Ten aanzien van de overige zware en lichte gronden ziet de rechtbank ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat deze gronden de maatregel van bewaring niet kunnen dragen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat voldoende grond bestaat voor het standpunt van de minister dat er een risico op onttrekking bestaat. De rechtbank laat de beoordeling van de rechtmatigheid van de zware gronden 3d en 3e daarom onbesproken.
7. Gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de minister er terecht vanuit gegaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan de op hem rustende vertrekplicht. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser er door de minister ook op is gewezen dat medische behandeling in het detentiecentrum beschikbaar is. Daarnaast heeft de minister de gestelde homoseksualiteit van eiser en zijn wens om te willen trouwen afdoende bij de maatregel betrokken. De rechtbank is ook overigens niet gebleken van omstandigheden die aanleiding geven voor het oordeel dat de bewaring onevenredig bezwarend is of dat de minister aanleiding had moeten zien om aan eiser een lichter middel dan bewaring op te leggen. De enkele stelling van eiser dat de bewaring hem zwaar valt, maakt dat niet anders.
8. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. Zo heeft op 23 juli 2025 een vertrekgesprek met eiser plaatsgevonden en is er gerappelleerd. De rechtbank zijn geen bijzondere omstandigheden gebleken die aanleiding geven voor het oordeel dat dit onvoldoende voortvarend is.
9. De inbewaringstelling is in strijd met artikel 59, van de Vw en het Unierecht, indien zicht op uitzetting ontbreekt. Voor dat oordeel ziet de rechtbank geen aanleiding. De rechtbank stelt hierbij voorop dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Egypte in het algemeen niet ontbreekt. De rechtbank verwijst hierbij naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 november 2024.Hierin zijn de uitzettingscijfers naar Egypte opgenomen. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier van af te wijken. In het specifieke geval van eiser is een lp-traject opgestart en is niet gebleken dat de Egyptische autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven.