In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 5 augustus 2025 uitspraak gedaan in een procedure over de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 13 juni 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 1 augustus 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht, waarbij de rechtbank het onderzoek heeft gesloten.
De rechtbank heeft overwogen dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en rechtmatig is bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 27 juni 2025. Eiser betoogde dat er geen reëel zicht op uitzetting naar Algerije is, omdat er geen reactie is gekomen op een lp-aanvraag die op 5 februari 2025 is verzonden. De rechtbank oordeelt echter dat er in het algemeen zicht op uitzetting is en dat eiser onvoldoende medewerking verleent aan zijn uitzetting. De rechtbank concludeert dat de minister voortvarend handelt en dat er geen aanleiding is om een lichter middel toe te passen. Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.