ECLI:NL:RBDHA:2025:14731

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
7 augustus 2025
Publicatiedatum
7 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.10251
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Proceskostenveroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om proceskostenveroordeling in asielprocedure

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag, gedaan op 7 augustus 2025, wordt het verzoek van een Nigeriaanse verzoekster om een proceskostenveroordeling tegen de minister van Asiel en Migratie beoordeeld. De verzoekster had eerder een verblijfsvergunning op basis van de Verblijfsregeling Mensenhandel, maar deze werd op 8 juli 2024 ingetrokken. De minister wees ook de aanvraag tot wijziging van de verblijfsvergunning af. Na het indienen van een bezwaar en een verzoek om voorlopige voorziening, werd het beroep op 1 juli 2025 ongegrond verklaard. Verzoekster trok haar verzoek om voorlopige voorziening in en vroeg de minister om de proceskosten te vergoeden. De minister gaf aan geen aanleiding te zien voor een veroordeling in de proceskosten. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om proceskostenveroordeling afgewezen, omdat de minister niet tegemoetgekomen was aan het verzoek van de verzoekster. De voorzieningenrechter concludeert dat er geen aanleiding is om de minister te veroordelen in de proceskosten, en wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af. De uitspraak is openbaar gemaakt en er staat geen hoger beroep of verzet open tegen deze beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10251

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[naam] , verzoekster,

geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
mede namens haar minderjarige kind:
[naam],
geboren op [geboortedatum] ,
van Nigeriaanse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer] ,
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek van verzoekster om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
1.1.
De minister heeft met het besluit van 8 juli 2024 de verblijfsvergunning van verzoekster in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel ingetrokken en de aanvraag van eiseres tot wijziging van de beperking van de verblijfsvergunning naar ‘humanitair niet-tijdelijk’ afgewezen. Met het bestreden besluit van 5 februari 2025 op het bezwaar van verzoekster is de minister bij de intrekking van de verblijfsvergunning en de afwijzing van de wijziging gebleven.
1.2.
Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
1.3.
Bij uitspraak van 1 juli 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep ongegrond verklaard. [1] Op 1 juli 2025 heeft verzoekster haar verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken en daarbij verzocht de minister te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
1.4.
De voorzieningenrechter heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op dat verzoek. De minister heeft de rechtbank bij brief van 21 juli 2025 meegedeeld dat zij geen aanleiding ziet voor een veroordeling in de proceskosten.
1.5.
De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling. [2]

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3. Als een verzoek om voorlopige voorziening wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoet gekomen, kan de voorzieningenrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. [3]
3.1.
In een voorlopige-voorzieningenprocedure is het antwoord op de vraag of geheel of gedeeltelijk is tegemoetgekomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb afhankelijk van het specifieke doel van die procedure, namelijk het voorkomen van onevenredig nadeel hangende een bezwaar- of beroepsprocedure. Dit betekent dat geheel of gedeeltelijk wordt tegemoetgekomen als bedoeld in dit artikel, indien het bestuursorgaan de tenuitvoerlegging van het besluit voorlopig opschort, dan wel een maatregel neemt waartoe het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening strekt. [4]
Is de minister aan het verzoek tegemoetgekomen?
4. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen.
4.1.
Verzoekster heeft haar verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken omdat zij een lopende asielprocedure heeft op basis waarvan zij in Nederland mag verblijven. Gelet op de gedingstukken en het procesverloop is de minister niet tegemoet gekomen aan het verzoek om voorlopige voorziening. Dat betekent dat geen aanleiding bestaat de minister te veroordelen in de proceskosten van verzoekster. Het verzoek wordt daarom als kennelijk ongegrond afgewezen.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

2.Met toepassing van 8:84, vijfde lid, in samenhang met artikel 8:75a en artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Artikel 8:75a van de Awb is op grond van artikel 8:84, vijfde lid, van de Awb ook van toepassing op de voorlopige-voorzieningenprocedure.
4.Vergelijk CRvB 24 september 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3263.