In deze kortgedingprocedure vordert eiser dat de Staat en een ambtenaar worden bevolen binnen 48 uur gesprekken te voeren met de drie grootste Nederlandse supermarktketens over het invoeren van een boycot van Israëlische producten. Eiser baseert zijn vordering op de artikelen 93 en 94 van de Grondwet en het internationale humanitaire oorlogsrecht, met het oog op de situatie in Gaza.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser ontvankelijk is, mede vanwege een akte waarin rechten van een Palestijn uit Gaza aan hem zijn overgedragen. De Staat erkent de catastrofale situatie in Gaza en het belang van druk op Israël, maar stelt dat hij niet verplicht is tot de gevorderde gesprekken. De rechter bevestigt dat de Staat op het terrein van buitenlands beleid een ruime beleids- en beoordelingsruimte heeft.
De rechter concludeert dat de vordering faalt omdat de Grondwet en verdragsrecht geen concrete verplichting bevatten voor de Staat om de gevorderde gesprekken te voeren. Ook het beroep op het Genocideverdrag en andere internationale verdragen faalt wegens het ontbreken van directe werking. De vordering tegen de ambtenaar wordt eveneens afgewezen vanwege gebrek aan persoonlijke aansprakelijkheid.
Eiser wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en gewezen door mr. M.A. van de Laarschot op 13 augustus 2025.