Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
Beslissing
www.rechtspraak.nl
Rechtbank Den Haag
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, is sinds 25 april 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek zonder zitting gesloten op 19 augustus 2025.
Eiser stelde dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, omdat alleen gedocumenteerde vreemdelingen of vreemdelingen van wie de nationaliteit is bevestigd, gepresenteerd kunnen worden aan de Algerijnse autoriteiten. Deze stelling werd onvoldoende onderbouwd en de rechtbank vond geen aanleiding om het eerdere oordeel te herzien dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt.
Daarnaast voerde eiser aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. De rechtbank constateerde dat verweerder op 24 juli 2025 een rappel aan de Algerijnse autoriteiten heeft gestuurd en op 21 juli 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd, wat voldoende voortvarendheid impliceert.
De rechtbank concludeerde dat het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is en wees het beroep en het verzoek om schadevergoeding af. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.