ECLI:NL:RBDHA:2025:15637
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De Minister van Asiel en Migratie nam deze aanvraag niet in behandeling op grond van de Dublinverordening, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.
Eiser voerde aan dat het besluit onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat hij niet adequaat was gehoord. Ook stelde hij dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet meer van toepassing is vanwege tekortkomingen in het Duitse asiel- en opvangsysteem, discriminatie en racisme, en een verhoogd risico op indirect refoulement. Daarnaast stelde hij dat de minister ten onrechte geen gebruik maakte van de bevoegdheid om de aanvraag aan zich te trekken op grond van bijzondere omstandigheden.
De rechtbank oordeelde dat eiser voldoende gelegenheid had gehad om zijn bezwaren naar voren te brengen en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel nog steeds van toepassing is, mede gelet op recente uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De aangevoerde tekortkomingen in Duitsland waren niet structureel en zwaarwegend genoeg om het vertrouwensbeginsel te weerleggen. De minister hoefde de aanvraag niet aan zich te trekken omdat geen bijzondere individuele omstandigheden waren die een onevenredige last voor eiser zouden betekenen.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en liet het besluit van de minister in stand. Eiser kreeg geen vergoeding van zijn proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.