ECLI:NL:RBDHA:2025:16102

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
28 augustus 2025
Publicatiedatum
28 augustus 2025
Zaaknummer
NL25.15293
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Einduitspraak inzake asielaanvraag van Eritrese eiser met betrekking tot leeftijd en naamregistratie

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 28 augustus 2025 uitspraak gedaan in het beroep van een Eritrese eiser tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie. De eiser had op 22 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend, die op 18 maart 2025 door de minister was ingewilligd. Echter, de eiser was het niet eens met de leeftijd die de minister aan hem toekende en de naam die in de UNHCR-registratie was opgenomen. De rechtbank had eerder op 19 juni 2025 een tussenuitspraak gedaan, waarin werd vastgesteld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom de naam uit de UNHCR-registratie niet werd gevolgd. De minister kreeg de kans om dit gebrek te herstellen, wat leidde tot een aanvullend besluit op 7 augustus 2025.

In de einduitspraak oordeelde de rechtbank dat de minister deugdelijk had gemotiveerd dat de naam en leeftijd van de eiser zoals vermeld in de UNHCR-registratie moesten worden gevolgd. De rechtbank verwierp de stellingen van de eiser dat de UNHCR-registratie niet als bewijs kon gelden en dat hij in bewijsnood verkeerde. De rechtbank concludeerde dat het beroep van de eiser gegrond was, omdat er een motiveringsgebrek was vastgesteld in de tussenuitspraak, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand konden blijven omdat het aanvullende besluit het gebrek had hersteld. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van de proceskosten van de eiser, vastgesteld op € 2.267,50.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.15293

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

geboren op [datum],
van Eritrese nationaliteit,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.R. Verdoner),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1. In deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser gericht tegen het bestreden besluit van 18 maart 2025 en het aanvullende besluit van 7 augustus 2025. Met het bestreden besluit heeft de minister de asielaanvraag van eiser ingewilligd en een vergunning verleend. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld, omdat hij het niet eens is met de leeftijd waarvan de minister uitgaat.
1.1.
De rechtbank is in de tussenuitspraak van 19 juni 2025 tot het oordeel gekomen dat de
minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in de besluitvorming en op de verblijfsvergunning van eiser, niet is uitgegaan van de naam uit de UNHCR registratie. [1] De minister is in de gelegenheid gesteld om dit te herstellen en heeft een aanvullend besluit genomen. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of het gebrek hiermee is hersteld en beoordeelt zij de overige beroepsgronden van eiser.
1.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister met het bestreden besluit en het aanvullende besluit deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij van de meerderjarigheid van eiser en van eisers naam uit de UNHCR registratie uitgaat. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 22 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 18 maart 2025 heeft de minister de aanvraag ingewilligd.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben
deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, een tolk, een vertegenwoordiger van NIDOS namens
de voogd van eiser en de gemachtigde van de minister. Het onderzoek is op zitting gesloten.
2.3.
Partijen hebben na zitting nadere schriftelijke reacties ingediend. De rechtbank heeft
het onderzoek daarom heropend om deze reacties te betrekken in haar oordeel. Aansluitend
is het onderzoek gesloten.
2.4.
In de tussenuitspraak van 19 juni 2025 heeft de rechtbank de minister in de gelegenheid gesteld om binnen acht weken het in het bestreden besluit geconstateerde gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak. Ook is het onderzoek heropend.
2.5.
De minister heeft op 26 juni 2025 bericht dat hij gebruik maakt van de mogelijkheid tot herstel. Op 7 augustus 2025 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. Op grond van artikel 6:19 van de Awb [2] heeft het beroep ook betrekking op dit besluit. Eiser heeft hier schriftelijk op gereageerd op 22 augustus 2025.
2.6.
De rechtbank heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 27 augustus 2025 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden
3. Voor een beschrijving van de feiten en de eerder ingenomen standpunten van partijen verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak.
3.1.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. Met eiser was de rechtbank van oordeel dat de minister ten onrechte niet had gemotiveerd waarom hij wel uitgaat van de leeftijdsregistratie door de UNHCR, maar niet van de naam van eiser uit deze registratie.
3.2.
Bij het aanvullende besluit heeft de minister besloten dat de naam van eiser uit de UNHCR registratie wordt overgenomen. De minister heeft aangegeven dat het IND-systeem en de verblijfspas van eiser daarnaar is en wordt aangepast.
Standpunt eiser
4. Eiser heeft in reactie op het aanvullende besluit de nieuwe tenaamstelling betwist. Eiser heeft gesteld dat hij vanaf zijn geboorte de naam draagt zoals hij heeft opgegeven. De minister gaat altijd uit van de naam zoals door de vreemdeling op de asielaanvraag wordt vermeldt en kan niet zelfstandig de gegevens aanpassen.
4.1.
Eiser heeft verder aangevoerd dat de minister de leeftijdsbeoordeling niet juist heeft verricht. Eiser heeft betwist dat hij de minister heeft misleid over zijn leeftijd, en meent dat van de door hem opgegeven gegevens in Italië en Nederland uitgegaan moet worden. Volgens eiser kan zijn UNHCR registratie niet worden gezien als bewijs. Daartoe heeft eiser herhaald dat hij in Ethiopië met zijn moeder heeft aangegeven dat hij in 2003 is geboren, zodat hij kon doorreizen met zijn meerderjarige vrienden. Eiser heeft geen andere documenten en verkeert daardoor in bewijsnood. De minister moet daarom aanvullend onderzoek verrichten. Bij aanvullende gronden van beroep heeft eiser aangevoerd dat de UNHCR registratie niet is opgegeven door zijn moeder, maar door zijn meerderjarige vrienden. Volgens eiser is door hen een oudere leeftijd opgegeven, zodat hij kon doorreizen. Eiser is vervolgens teruggekeerd naar Eritrea en is toen in 2020 met zijn moeder en broertje gevlucht. Dat de UNHCR registratie onjuist is, blijkt ook uit het feit dat de naam en de opleiding van eiser onjuist zijn.
Heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat mag worden uitgegaan van de UNHCR
registratie?
5. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat van de UNHCR registratie van eiser mag worden uitgegaan. De minister heeft in dit verband terecht gewezen op vaste rechtspraak van de Afdeling. [3] In haar uitspraak van 26 januari 2022 heeft de Afdeling geoordeeld dat UNHCR-documenten niet louter op basis van eigen verklaringen van een vreemdeling worden opgesteld. De UNHCR bevraagt een vreemdeling bij twijfel over de authenticiteit van een overgelegd document, houdt interviews met familieleden en andere betrokkenen, voert nationaliteitscontroles uit en verwerkt biometrische gegevens. Ook worden eventuele tegenstrijdigheden of onvolkomenheden in het systeem van de UNHCR geregistreerd. [4] Dit oordeel heeft de Afdeling in latere uitspraken herhaald. [5] De minister heeft terecht gesteld dat uit de registratiekaart blijkt dat deze gebaseerd is op een
family / household registration document. Ook heeft de minister terecht gesteld dat de registratiekaart een pasfoto bevat en de overeenkomende namen van de ouders van eiser. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in de stellingen dat de UNHCR registratiekaart niet als bewijs kan gelden, of dat de inhoud daarvan onjuist is. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn vertrek uit Eritrea en hoe de UNHCR registratie volgens hem tot stand is gekomen. [6] Nu de UNHCR registratiekaart als bewijs geldt, volgt de rechtbank eiser evenmin in de stellingen dat hij in bewijsnood verkeert of dat de minister meer aanvullend onderzoek moet doen.
5.1.
De rechtbank volgt eiser gelet op het voorgaande, niet in het betoog dat de minister van een onjuiste naam uitgaat. De minister is met het aanvullende besluit namelijk geheel uitgegaan van de gegevens van de UNHCR registratiekaart van eiser. De motivering van het besluit is naar het oordeel van de rechtbank daarom niet langer inconsequent. De minister heeft dan ook niet zelfstandig de gegevens van eiser aangepast, maar heeft de UNHCR registratie gevolgd. In dit verband betrekt de rechtbank verder dat eiser zelf ook wisselend heeft verklaard over zijn naam, omdat hij op zitting over een andere schrijfwijze heeft verklaard dan in het dossier wordt aangehouden.
5.2.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat de minister de leeftijdsbeoordeling niet onjuist heeft verricht. In dit verband wijst de rechtbank op de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024. [7] Naar aanleiding van de schouwen van eiser heeft de minister eerst de Italiaanse autoriteiten verzocht om informatie over eiser. Naar aanleiding van de verklaringen van eiser in het nader gehoor over het vluchtelingenkamp in Ethiopië heeft de minister de UNHCR om informatie verzocht. Eiser is in de gelegenheid gesteld om op de verkregen informatie te reageren. Verder heeft de minister gemotiveerd waarom hij meer gewicht hecht aan de registratie door de UNHCR, omdat hieraan een document ten grondslag ligt, in tegenstelling tot de registratie in Italië. Daarbij betrekt de rechtbank dat eiser op zitting wisselend heeft gesteld dat van de registratie in Italië moet worden uitgegaan of niet, en dat hij deze beroepsgrond heeft laten vallen. De rechtbank is van oordeel dat de minister met de motivering en de UNHCR registratiekaart het vermoeden van de minderjarigheid van eiser heeft ontzenuwd. De overige stellingen van eiser doen niet aan het voorgaande af. De beroepsgrond slaagt daarom niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond, nu in de tussenuitspraak een motiveringsgebrek is vastgesteld. [8] De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister met het aanvullende besluit het motiveringsgebrek heeft hersteld. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit daarom in stand [9] en verklaart het beroep ongegrond, voor zover dit betrekking heeft op het aanvullende besluit. Dit betekent dat eiser inhoudelijk geen gelijk krijgt. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat moet worden uitgegaan van de naam en leeftijd van eiser, zoals deze volgen uit de UNHCR registratie.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze na een bestuurlijke lus, met een waarde per punt van € 907,- en vermenigvuldigd met wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep deels gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 18 maart 2025;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijven;
  • verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend
binnen vier wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

2.De Algemene wet bestuursrecht.
3.De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.ECLI:NL:RVS:2022:245, overweging 6.2. en verder.
5.Zie de uitspraken van 9 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:53, van 17 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1910 en van 29 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1326.
6.Zie pagina 7 t/m 9 van het gehoor aanmeldfase, pagina 6 en 14 van het nader gehoor, de brief van 6 maart 2025 en de aanvullende gronden in beroep van 7 juni 2025.
8.In strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
9.Op grond van 8:72, derde lid onder a, van de Awb.