ECLI:NL:RVS:2023:1910
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf Eritrese minderjarige vreemdelingen
De zaak betreft het hoger beroep van twee Eritrese minderjarige vreemdelingen tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. De rechtbank Den Haag had het beroep van de vreemdelingen ongegrond verklaard, waarna zij hoger beroep instelden bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris niet het juiste beoordelingskader heeft toegepast. Volgens eerdere jurisprudentie moet in Eritrese nareiszaken een integrale beoordeling plaatsvinden van alle overgelegde documenten en verklaringen, met een evenredige bewijsvoering en een gemotiveerde beoordeling van het voordeel van de twijfel, met bijzondere aandacht voor minderjarige kinderen.
De Afdeling stelt dat de staatssecretaris ten onrechte de UNHCR-registratiekaarten en schoolrapporten onvoldoende achtte als bewijs van identiteit en dat de rechtbank onterecht geen rekening hield met onvertaalde doopakten en de verklaring omtrent het ontbreken van officiële overlijdensdocumenten. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom geen DNA-onderzoek of identificerend gehoor is aangeboden.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het bestreden besluit, en beveelt de staatssecretaris een nieuw besluit te nemen waarbij onder meer het overgelegde verwantschapsonderzoek wordt betrokken. Tevens wordt de proceskostenvergoeding aan de vreemdelingen toegekend.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen.