De rechtbank Den Haag behandelde op 8 september 2025 de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het verrichten van seksuele handelingen met een kind onder de twaalf jaar. Het vermeende slachtoffer verklaarde dat verdachte hem had betast, ondersteund door verklaringen van de moeder en haar partner. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf en een contact- en locatieverbod.
De verdediging voerde integrale vrijspraak aan vanwege gebrek aan overtuigend bewijs. De rechtbank benadrukte dat in zedenzaken de verklaring van het slachtoffer niet zonder aanvullend steunbewijs kan leiden tot een bewezenverklaring. Hoewel het slachtoffer een gedetailleerde verklaring gaf, rezen twijfels over de betrouwbaarheid, mede door tegenstrijdigheden in de verklaringen van de moeder en haar partner en mogelijke suggestieve beïnvloeding.
De rechtbank concludeerde dat het bewijs onvoldoende was om het ten laste gelegde wettig en overtuigend te bewijzen en sprak verdachte vrij. De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen wegens de vrijspraak, waarbij de benadeelde partij werd veroordeeld in de kosten van de verdediging.