ECLI:NL:RBDHA:2025:16714
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf in het kader van nareis. De minister van Asiel en Migratie heeft geen besluit genomen binnen de wettelijke beslistermijn van 90 dagen, die met drie maanden was verlengd, waardoor de uiterste beslisdatum op 5 februari 2025 lag.
Eiser stelde de minister op 6 februari 2025 rechtsgeldig in gebreke en diende op 19 mei 2025 beroep in. De rechtbank oordeelt dat het beroep tijdig en kennelijk gegrond is. De rechtbank legt op grond van de Awb een termijn van acht weken na verzending van deze uitspraak op waarbinnen de minister een besluit moet nemen, met een mogelijke verlenging tot twintig weken bij nader onderzoek.
Daarnaast wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd met een maximum van €15.000. De reeds verbeurde dwangsommen van €1.442 worden aan eiser toegekend. Tevens worden de proceskosten en het griffierecht aan eiser vergoed. De uitspraak is gedaan door rechter J.F.I. Sinack en griffier A.S. Hamans op 8 september 2025.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en de minister wordt opgedragen binnen acht weken een besluit te nemen, met oplegging van een dwangsom en vergoeding van proceskosten.