Eiser diende op 13 juni 2022 een asielaanvraag in Nederland in. De minister verzocht Italië om de overname van de asielaanvraag op grond van de Dublinverordening, welke op 30 augustus 2022 werd goedgekeurd. De overdracht aan Italië had uiterlijk binnen zes maanden moeten plaatsvinden, maar deze vond niet tijdig plaats. De minister nam de aanvraag van eiser op 16 december 2022 niet in behandeling en verlengde de overdrachtstermijn naar achttien maanden. Omdat de overdracht niet tijdig was, werd Nederland per 2 maart 2023 verantwoordelijk voor de asielaanvraag.
De rechtbank stelt vast dat het besluit om de aanvraag niet in behandeling te nemen geen definitief besluit is. De minister had na het verantwoordelijk worden van Nederland alsnog een besluit moeten nemen op de oorspronkelijke aanvraag. Het beroep van eiser richt zich daarom op het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag van 13 juni 2022.
De rechtbank oordeelt dat de beslistermijn is verstreken en dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. De minister wordt opgedragen binnen acht weken na de uitspraak alsnog een besluit te nemen. Bij overschrijding van deze termijn wordt een dwangsom van €100 per dag opgelegd, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser ter hoogte van €453,50.