Eiser maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV van 20 augustus 2024 waarin hij werd afgewezen voor een WIA-uitkering. Na het uitblijven van een beslissing op bezwaar stelde eiser beroep in bij de rechtbank Den Haag. De rechtbank constateerde dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat verweerder sinds ingebrekestelling niet had beslist.
Het UWV gaf aan dat de overschrijding te wijten was aan een tekort aan verzekeringsartsen en een oplopende werkvoorraad. De rechtbank erkende dit als een bijzonder geval en stelde een termijn van negen weken vast waarbinnen het UWV een medische beoordeling moet verrichten en een besluit moet nemen. Indien de medische beoordeling al gepland was, kon deze termijn worden aangepast.
Omdat het UWV nog geen medische beoordeling had gepland, werd de volledige termijn van negen weken opgelegd. De rechtbank legde tevens een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding, met een maximum van €15.000. Het griffierecht werd aan eiser vergoed. De rechtbank vernietigde het niet tijdig genomen besluit en droeg het UWV op binnen de gestelde termijn alsnog te beslissen.