Eiser, een Afghaanse minderjarige, verzocht asiel in Nederland op grond van vermeende bedreigingen door de Taliban vanwege het werk van zijn zwager voor de voormalige Afghaanse autoriteiten. Verweerder wees de aanvraag af omdat het asielmotief niet geloofwaardig was bevonden en er geen reëel risico op ernstige schade of vervolging bij terugkeer was.
De rechtbank oordeelde dat verweerder terecht een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling had uitgevoerd conform Werkinstructie 2024/6 en dat de verklaringen van eiser niet samenhangend en aannemelijk waren. Er was onvoldoende bewijs dat eiser persoonlijk problemen met de Taliban had ervaren of dat deze dreiging nog actueel was. Ook de vermeende discriminatie als Tadzjiek werd niet aannemelijk gemaakt.
Verder stelde de rechtbank vast dat het onderzoek naar adequate opvang in Afghanistan voortvarend werd uitgevoerd door de Dienst Terugkeer & Vertrek. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees een proceskostenveroordeling af.