Eiser diende op 23 mei 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die de minister op 24 juli 2025 niet in behandeling nam omdat Oostenrijk verantwoordelijk werd geacht op grond van de Dublinverordening en de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat, ondanks het AIDA-rapport 2024 dat structurele tekortkomingen in Oostenrijkse asielprocedures signaleert.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende rekening hield met de recente rapportage en geen individuele risicoanalyse maakte, en dat de medische situatie van eiser een overdracht onaanvaardbaar maakt volgens het arrest C.K. en de Werkinstructie 2021/3. De rechtbank stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zodanige structurele tekortkomingen die het vertrouwensbeginsel doorbreken, noch dat de medische gegevens een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand bij overdracht aantonen.
De rechtbank concludeert dat de minister zorgvuldig en gemotiveerd heeft gehandeld binnen de geldende wettelijke kaders en dat het beroep ongegrond is. Het bestreden besluit blijft in stand en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.