ECLI:NL:RBDHA:2025:17521
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond verklaring beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting
De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een vreemdeling met de Algerijnse nationaliteit tegen het voortduren van zijn maatregel van bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was reeds eerder getoetst en rechtmatig bevonden tot 14 augustus 2025, waarna alleen het voortduren sinds die datum werd beoordeeld.
Hoewel de rechtbank constateerde dat de termijn voor het sluiten van het vooronderzoek licht was overschreden, werd dit niet als schending van het recht op een voortvarende beslissing aangemerkt, omdat de totale termijn binnen de redelijke termijn van 21 dagen bleef. De rechtbank nam mee dat de termijnoverschrijding niet tot nadeel van eiser had geleid.
Eiser voerde aan dat de Algerijnse autoriteiten niet reageerden op de laissez-passer-aanvraag en dat er geen zicht was op uitzetting binnen een redelijke termijn. De rechtbank oordeelde echter dat uitzettingshandelingen door de overheid waren verricht, waaronder rappels aan Algerije en vertrekgesprekken met eiser. Tevens bleek uit de feiten dat eiser zelf onvoldoende medewerking verleende aan zijn uitzetting.
Daarom was er volgens de rechtbank voldoende zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn en was het voortduren van de bewaring rechtmatig. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.