ECLI:NL:RBDHA:2025:17732
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit waarin hem een vertrektermijn van vier weken is opgelegd na beëindiging van zijn tijdelijke bescherming. Hij verzocht om een voorlopige voorziening zodat hij zijn beroep in Nederland kon afwachten en zijn rechten op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming kon behouden.
De voorzieningenrechter overweegt dat de tijdelijke bescherming van verzoeker op 4 maart 2024 rechtsgeldig is geëindigd en dat de bevriezingsmaatregel slechts een uitstel van vertrek tot 4 september 2025 bood, zonder rechtmatig verblijf te creëren. Het terugkeerbesluit is daarom niet prematuur genomen. Verzoeker slaagt er niet in zijn belangen onder artikel 8 EVRM Pro voldoende te concretiseren en er is geen nieuw feit dat een risico op refoulement rechtvaardigt.
Daarom wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen.