ECLI:NL:RBDHA:2025:17732

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
25 september 2025
Publicatiedatum
26 september 2025
Zaaknummer
NL25.39539
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2008/115/EGAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen een terugkeerbesluit waarin hem een vertrektermijn van vier weken is opgelegd na beëindiging van zijn tijdelijke bescherming. Hij verzocht om een voorlopige voorziening zodat hij zijn beroep in Nederland kon afwachten en zijn rechten op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming kon behouden.

De voorzieningenrechter overweegt dat de tijdelijke bescherming van verzoeker op 4 maart 2024 rechtsgeldig is geëindigd en dat de bevriezingsmaatregel slechts een uitstel van vertrek tot 4 september 2025 bood, zonder rechtmatig verblijf te creëren. Het terugkeerbesluit is daarom niet prematuur genomen. Verzoeker slaagt er niet in zijn belangen onder artikel 8 EVRM Pro voldoende te concretiseren en er is geen nieuw feit dat een risico op refoulement rechtvaardigt.

Daarom wordt het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen als kennelijk ongegrond. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening tegen het terugkeerbesluit wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.39539

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. S. Franca).

Procesverloop

Met het besluit van 6 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.
Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld (NL25.39343). Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat hij zijn beroep in Nederland mag afwachten en de rechten behoudt die hij heeft op grond van de Richtlijn tijdelijke bescherming.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb [1] uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister bij brief van 3 juni 2025 aan de Tweede Kamer ([kenmerk]) heeft besloten de eerder ingestelde bevriezingsmaatregel per 4 september 2025 te beëindigen. Dit betekent dat verzoeker vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om uit de (gemeentelijke) opvang en Nederland te vertrekken en dat hij sinds 4 september 2025 niet meer mag werken. Gelet hierop heeft verzoeker spoedeisend belang bij de verzochte voorziening.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder vastgesteld dat verzoeker niet (langer) rechtmatig in Nederland verblijft en dat hij moet terugkeren naar Nigeria. Daarbij verwijst verweerder naar een uitspraak van de Afdeling [2] van 17 januari 2024 [3] , waarin is bepaald dat het recht op bescherming dat verzoeker geniet op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming [4] van rechtswege eindigde op 4 maart 2024. Verweerder heeft in overeenstemming met die uitspraak besloten dat de facultatieve bescherming op die datum eindigt. Het Hof van Justitie [5] heeft in een arrest van 19 december 2024 [6] geoordeeld dat het Unierecht een lidstaat toestaat om de door hem verleende facultatieve tijdelijke bescherming op een eerder tijdstip in te trekken dan dat waarop de verplichte tijdelijke bescherming geen rechtsgevolgen meer heeft. De Afdeling heeft vervolgens bij uitspraak van 23 april 2025 [7] uitgelegd hoe het arrest van het Hof in de voorliggende zaken dient te worden toegepast. De Afdeling heeft met deze uitspraak opnieuw bevestigd dat de facultatieve tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 is geëindigd.
4. Verzoeker voert in het aan het verzoek connexe beroep aan dat het terugkeerbesluit vroegtijdig is genomen en in strijd is met de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam. Uit het arrest van het Hof van Justitie volgt namelijk dat een terugkeerbesluit pas mogelijk is op het moment dat de bescherming eindigt. Dit is dus pas na 4 september 2025. Verder is het terugkeerbesluit in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM. [8] Tot slot ontbreekt een recente (ambtshalve) refoulementbeoordeling. Verder wordt verzocht om een ordemaatregel te treffen. Hierbij wordt verwezen naar een uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 3 september 2025. [9]
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
Prematuur terugkeerbesluit
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter slaagt het betoog van verzoeker dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen niet. Weliswaar volgt uit het arrest [naam 1] en [naam 2] en de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 dat een lidstaat geen terugkeerbesluit kan uitvaardigen tegen een derdelander die legaal op het grondgebied van een lidstaat verblijft en die facultatieve tijdelijke bescherming geniet, maar daarvan is in verzoekers geval geen sprake. Gelet op de eerder genoemde uitspraken van de Afdeling is de tijdelijke bescherming van verzoeker op 4 maart 2024 geëindigd, zodat hij vanaf dat moment geen rechtmatig verblijf had in Nederland. Dat het verzoeker door middel van de bevriezingsmaatregel evenwel was toegestaan om tot 4 september 2025 in Nederland te blijven, maakt niet dat sprake was van rechtmatig verblijf in de zin van het arrest [naam 1] en [naam 2].
Artikel 8 van Pro het EVRM
6. De voorzieningenrechter volgt verzoeker ook niet in zijn betoog dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Uit artikel 5 van Pro de Terugkeerrichtlijn [10] volgt weliswaar dat bij het opleggen van een terugkeerbesluit rekening moet worden gehouden met het recht op privéleven, zoals neergelegd in artikel 8 van Pro het EVRM, maar verzoeker heeft nagelaten zijn belangen te concretiseren dan wel nader te onderbouwen. De enkele stelling dat hij in Nederland wil blijven werken is hiervoor onvoldoende.
Non-refoulement
7. De voorzieningenrechter is tot slot van oordeel dat niet is gebleken van zwaarwegende gronden om aan te nemen dat verzoeker bij terugkeer naar Nigeria een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verweerder het refoulementrisico heeft beoordeeld tijdens zijn asielprocedure en dat deze rechtbank en zittingsplaats op 26 mei 2025 [11] verweerder heeft gevolgd in de uitkomst van deze beoordeling. Verzoeker heeft geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren gebracht die ertoe leiden dat niet langer van dit oordeel kan worden uitgegaan.

Conclusie

8. Gelet op al het voorgaande heeft het beroep naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen redelijke kans van slagen. Daarom zal het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening worden afgewezen als kennelijk ongegrond.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 25 september 2025 door mr. M.L. Weerkamp, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Algemene wet bestuursrecht.
2.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
4.2001/55 EG
5.Hof van Justitie van de Europese Unie
6.Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038 ([naam 1] en [naam 2])
8.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
10.Richtlijn 2008/115/EG.