Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door de minister op zijn asielaanvraag van 15 januari 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet binnen een redelijke termijn heeft beslist.
De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond is. Zij verwijst naar het 8+8 wekenmodel van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar stelt dat in gevallen waarbij de maximale beslistermijn van 21 maanden wordt overschreden een kortere termijn passend is. Daarom legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn op van acht weken na het verstrijken van 21 maanden, zijnde uiterlijk 10 december 2025.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister deze termijn overschrijdt. Tevens wordt de minister veroordeeld in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en geanonimiseerd gepubliceerd.