ECLI:NL:RBDHA:2025:17997

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 september 2025
Publicatiedatum
1 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.44634
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.M. Emaus-Visschers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vervolgberoep bewaring van een Ghanese vreemdeling met zicht op uitzetting

Op 30 september 2025 heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende de maatregel van bewaring van een Ghanese vreemdeling, eiser, die al meer dan zes maanden in bewaring verblijft. De minister van Asiel en Migratie had op 14 maart 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op basis van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft eerder beroep aangetekend tegen het voortduren van deze maatregel, en de rechtbank heeft deze eerder getoetst in uitspraken van 1 april, 3 juni en 9 juli 2025. De minister heeft op 15 september 2025 verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren, waarbij een voortgangsrapportage is overgelegd. Tijdens de zitting op 23 september 2025 is eiser verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en de minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft het toetsingskader uiteengezet en vastgesteld dat de maatregel van bewaring rechtmatig was tot het sluiten van het onderzoek op 8 juli 2025. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of er zicht op uitzetting naar Ghana bestaat. Eiser betoogde dat dit niet het geval was, maar de rechtbank oordeelde dat er nog steeds zicht op uitzetting is, mede omdat de Ghanese ambassade heeft aangegeven binnenkort te reageren op de aanvraag voor een laissez-passer. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij uit Burkina Faso komt, wat zijn stelling over het ontbreken van zicht op uitzetting naar Ghana ondermijnt.

Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister voldoende voortvarend handelt in het proces van uitzetting. De rechtbank concludeert dat er geen grond is om te twijfelen aan de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen, en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44634

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Guman),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

De minister heeft op 14 maart 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst bij uitspraken van
1 april 2025, [1] 3 juni 2025 [2] en 9 juli 2025. [3]
De minister heeft de rechtbank op 15 september 2025 laten weten dat het langer dan
75 dagen geleden is dat eiser beroep heeft ingesteld tegen het voortduren van de maatregel van bewaring. Daarom heeft de minister verzocht om te beoordelen of de bewaring kan voortduren (de vervolgkennisgeving). Daarbij heeft de minister een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft op die voortgangsrapportage gereageerd en daarbij een verzoek om schadevergoeding gedaan.
De rechtbank heeft het beroep op 23 september 2025 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Toetsingskader
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
1.1.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 9 juli 2025 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 8 juli 2025.
Bestaat zicht op uitzetting naar Ghana?
2. Eiser betoogt dat voor hem geen zicht op uitzetting naar Ghana bestaat. De bewaring duurt namelijk al langer dan zes maanden en heeft nog niet tot uitzetting geleid. Eiser heeft voldoende medewerking getoond en het is niet aan hem toe te rekenen dat de Ghanese ambassade niet reageert op herhaalde verzoeken. Op de zitting heeft eiser nog in eigen woorden toegelicht wat het voor hem betekent dat hij inmiddels zeven maanden in bewaring verblijft.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank bestaat voor eiser nog wel zicht op uitzetting naar Ghana. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat geen aanknopingspunten zijn dat het zicht op uitzetting naar Ghana in het algemeen ontbreekt. [4] De rechtbank ziet ook geen aanleiding om daar in het geval van eiser anders over te oordelen. Hoewel eiser al lange tijd in bewaring zit en de rechtbank begrijpt dat dit voor hem erg moeilijk is, zijn er geen aanknopingspunten dat aan eiser geen laissez-passer (lp) zal worden afgegeven. Bij het oordeel dat de maatregel van bewaring, alhoewel die al zo lang duurt, nog kan voortduren is voor de rechtbank in het bijzonder van belang dat de gemachtigde van de minister op de zitting heeft toegelicht dat hij contact heeft gehad met de landsverantwoordelijke van de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en dat deze landsverantwoordelijke contact heeft gehad met de Ghanese ambassade. De ambassade heeft aangegeven dat zij op korte termijn met een reactie op de lp-aanvraag zullen komen. Verder wijst de rechtbank erop dat eiser zelf ook activiteiten kan ondernemen om zijn uitzetting te bespoedigen, en hoewel eiser heeft meegewerkt aan de presentatie in persoon bij de Ghanese ambassade, heeft hij zelf niets ondernomen om zijn uitzetting mogelijk te maken. Eiser verklaart in zijn vertrekgesprekken enkel dat hij niet uit Ghana, maar uit Burkina Faso komt en dat daarom voor hem geen reisdocument door de Ghanese ambassade zal worden afgegeven. Echter onderbouwt eiser zijn stelling dat hij uit Burkina Faso komt niet, en onderneemt ook geen actie om dit wél te onderbouwen. De beroepsgrond slaagt niet.
Handelt de minister voldoende voortvarend?
3. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende voortvarend handelt, omdat geen andere activiteiten worden verricht dan het voeren van vertrekgesprekken en het schriftelijk rappelleren bij de Ghanese ambassade.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank handelt de minister voldoende voortvarend. Hij heeft namelijk op 24 juli, 15 augustus en 4 september 2025 schriftelijk gerappelleerd. Daarnaast is voorafgaand aan de zitting navraag gedaan bij de landsverantwoordelijke van de DT&V. Ook hebben op 7 en 27 augustus 2025 vertrekgesprekken plaatsgevonden. Dit acht de rechtbank voldoende voortvarend en van de minister wordt niet verwacht dat hij andere uitzettingshandelingen verricht dan regelmatig rappelleren en het voeren van gesprekken. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de minister voor de afgifte van een lp afhankelijk is van de Ghanese ambassade. Dat de minister ook activiteiten zou moeten verrichten voor uitzetting naar Burkina Faso, zoals de gemachtigde van eiser op de zitting heeft betoogd, volgt de rechtbank niet. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 7 augustus 2025 volgt namelijk dat eiser in bezit is van een kopie van een Ghanees paspoort, waarmee de minister aannemelijk kan vinden dat eiser de Ghanese nationaliteit heeft en dus uitzettingshandelingen naar dit land verricht. De enkele stelling van eiser dat hij uit Burkina Faso komt, hoeft voor de minister geen aanleiding te zijn om (ook) uitzettingshandelingen richting Burkina Faso te verrichten. Het is namelijk aan eiser om aannemelijk te maken dat hij afkomstig is uit Burkina Faso. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door
de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan
de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [5]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 1 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5551.
2.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 3 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9952.
3.Rb. Den Haag, zp. Arnhem, 9 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:13343.
4.Zie ook: ABRvS 3 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:824 en ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4500.
5.Vergelijk de uitspraak van de ABRvS van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829.