ECLI:NL:RBDHA:2025:18257
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugkeerbesluit na beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense derdelander
Eiser, een Oekraïense derdelander met de Nigeriaanse nationaliteit, was voorzien van facultatieve tijdelijke bescherming die op 4 maart 2024 is geëindigd. De minister heeft op 14 juli 2025 een terugkeerbesluit opgelegd, waartegen eiser beroep instelde. De rechtbank beoordeelde of het terugkeerbesluit prematuur was en of het besluit voldeed aan de wettelijke vereisten.
De rechtbank stelde vast dat het terugkeerbesluit niet prematuur was, omdat het was genomen na het einde van de tijdelijke bescherming. De minister had het recht om het terugkeerbesluit uit te vaardigen ondanks de lopende bevriezingsmaatregel die tot 4 september 2025 gold. Verder oordeelde de rechtbank dat het besluit voldoende duidelijk was over het land van terugkeer, aangezien de Nigeriaanse nationaliteit van eiser was vermeld.
Eiser stelde dat de minister geen onderzoek had gedaan naar zijn privéleven, wat volgens hem een belemmering vormde voor het terugkeerbesluit. De rechtbank vond echter dat eiser geen zienswijze had ingediend en zijn stellingen onvoldoende concreet had onderbouwd. Daarom was er geen zwaarwegend belang om af te wijken van het terugkeerbesluit.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en liet het terugkeerbesluit in stand. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter R. Tesfai en griffier M.C. Drenten-Boon, en is openbaar gemaakt op 3 oktober 2025.
Uitkomst: Het terugkeerbesluit blijft in stand omdat de tijdelijke bescherming is geëindigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.