Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister op haar asielaanvraag van 12 juni 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiseres gestelde termijn heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Op basis van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt het zogenaamde ‘8+8 wekenmodel’ toegepast, waardoor de minister een nieuwe beslistermijn van zestien weken krijgt om alsnog een besluit te nemen.
De rechtbank legt een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan door rechter H. Hanssen-Telman en griffier A.W. Landman.