Eiser heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke beslistermijn had beslist op zijn asielaanvraag van 13 januari 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde aanvullende termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij verwijst naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin het ‘8+8 wekenmodel’ wordt gehanteerd voor het bepalen van een nieuwe beslistermijn. Gezien de overschrijding van de bovengrens van 21 maanden, acht de rechtbank een kortere termijn passend en legt zij een termijn van acht weken op waarbinnen de minister alsnog moet besluiten.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de door eiser gemaakte proceskosten, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl.