Eiser heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op zijn asielaanvraag van 25 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde aanvullende termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Op grond van jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt een nieuwe beslistermijn van zestien weken opgelegd, het zogenaamde ‘8+8 wekenmodel’, te rekenen vanaf de dag na de bekendmaking van deze uitspraak.
De minister wordt opgedragen binnen deze termijn alsnog een besluit te nemen. Voor het geval de minister deze termijn overschrijdt, legt de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag, met een maximum van €15.000. Daarnaast wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op €453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter M. Munsterman en griffier A.W. Landman en is zonder zitting genomen. De uitspraak is openbaar en geanonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.