ECLI:NL:RBDHA:2025:20271

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
31 oktober 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
NL25.50552
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Algerijnse vreemdeling en de rechtmatigheid van de voortduring van de maatregel

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de voortduren van de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De maatregel van bewaring was op 2 juni 2025 opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, die in bewaring is gesteld, heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en dat deze tot het sluiten van het onderzoek op 19 september 2025 rechtmatig was. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de maatregel sindsdien nog rechtmatig is. Eiser betoogde dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije of Marokko was en dat de minister onvoldoende voortvarend handelde. De rechtbank oordeelde echter dat er wel degelijk zicht op uitzetting naar Marokko was, ondanks het gebrek aan reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag.

De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend handelde en dat er geen aanleiding was om de maatregel van bewaring op te heffen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, in aanwezigheid van griffier mr. S. Strating, en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50552

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] eiser,

geboren op [geboortedatum]
van gestelde Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [v-nummer:] ,
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).

Inleiding

1. De minister heeft op 2 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op het Justitieel Complex Schiphol. De minister heeft zich op de rechtbank laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al driemaal eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 25 september 2025 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 19 september 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel onrechtmatig is. Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting. Het lp [3] -traject bij Algerije is afgesloten en sinds de indiening van de lp-aanvraag bij Marokko op 29 april 2025 is geen reactie ontvangen van de Marokkaanse autoriteiten. Bovendien twijfelt niemand eraan dat eiser van Algerijnse herkomst is. Daarnaast voert eiser aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. In de vijf maanden dat het lp-traject loopt zijn namelijk alleen algemene rappels naar de Marokkaanse autoriteiten zijn verstuurd. Verder stelt eiser dat de belangenafweging in zijn voordeel dient uit te vallen. Hij verblijft inmiddels al vijf maanden in bewaring en zijn gezondheid lijdt hieronder. Daar komt bij dat zijn medicijnen zijn afgepakt en aangepast.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko bestaat. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling [4] van 27 januari 2025. Daarin heeft de Afdeling geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [5] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser tot een ander oordeel te komen. Dat de Marokkaanse autoriteiten na vijf maanden nog geen reactie hebben gegeven op de lp-aanvraag, rechtvaardigt nog niet de conclusie dat het zicht meer op uitzetting naar Marokko ontbreekt. Er is namelijk niet gebleken dat de Marokkaanse autoriteiten hebben aangegeven geen laissez-passer voor eiser te zullen afgeven. Eiser heeft zijn stelling dat hij de Algerijnse nationaliteit bezit niet met stukken onderbouwd. Bovendien rust op hem de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting dient te verlenen. [6] De rechtbank constateert dat eiser deze medewerking niet verleent. Zo heeft eiser geweigerd te spreken met de DT&V [7] , waardoor het laatst geplande vertrekgesprek van 16 oktober 2025 geen doorgang heeft kunnen vinden. Ook met de informatie die eiser op de zitting naar voren heeft gebracht blijkt deze medewerking niet. Eiser heeft weliswaar naar voren gebracht dat hij wel met DT&V heeft gesproken, maar uit de inhoud van dat gesprek is het de rechtbank niet gebleken dat eiser medewerking verleent aan zijn vertrek.
5.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage en wat op de zitting is besproken, blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 25 september 2025 en 16 oktober 2025 is gerappelleerd op de lp-aanvraag bij Marokko. De minister heeft op de zitting toegelicht dat er op basis van de nu bekende gegevens geen aanwijzingen zijn om op individueel niveau te rappelleren. Daarnaast heeft de minister op 6 oktober 2025 geprobeerd een vertrekgesprek met eiser te voeren, maar eiser verbleef op dat moment in de isoleercel, waardoor niet met hem kon worden gesproken. Op 16 oktober 2025 heeft de minister opnieuw geprobeerd een vertrekgesprek met eiser te voeren, maar eiser heeft dit geweigerd. Deze gang van zaken vindt de rechtbank voldoende voortvarend.
5.2.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister, gelet op de duur van de bewaring, nog niet is gehouden een verzwaarde belangenafweging te maken. De rechtbank is ook geen feiten en omstandigheden gebleken die voor de minister aanleiding hadden moeten zijn om de bewaring bij een afweging van de belangen op te heffen. Eiser heeft zijn stelling over zijn gezondheid, en dat zijn medicijnen zouden zijn aangepast en afgepakt, niet met stukken onderbouwd.
5.3.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 24 oktober 2025 op enig moment onrechtmatig was. Bovendien is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement en/of de eerbiediging van zijn gezins- of familieleven zich tegen de uitzetting van eiser verzet. [8]

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.
4.Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210).
7.Dienst Terugkeer en Vertrek.
8.Zoals bedoeld in het arrest