In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 31 oktober 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de voortduren van de maatregel van bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De maatregel van bewaring was op 2 juni 2025 opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiser, die in bewaring is gesteld, heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het beroep op 24 oktober 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en dat deze tot het sluiten van het onderzoek op 19 september 2025 rechtmatig was. De rechtbank heeft vervolgens beoordeeld of de maatregel sindsdien nog rechtmatig is. Eiser betoogde dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije of Marokko was en dat de minister onvoldoende voortvarend handelde. De rechtbank oordeelde echter dat er wel degelijk zicht op uitzetting naar Marokko was, ondanks het gebrek aan reactie van de Marokkaanse autoriteiten op de lp-aanvraag.
De rechtbank concludeerde dat de minister voldoende voortvarend handelde en dat er geen aanleiding was om de maatregel van bewaring op te heffen. Het beroep van eiser werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De uitspraak werd gedaan door mr. V.A.G. van Dijk, in aanwezigheid van griffier mr. S. Strating, en is openbaar gemaakt op rechtspraak.nl.