Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de minister van Asiel en Migratie omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist op haar asielaanvraag van 15 maart 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiseres gestelde aanvullende termijn van twee weken heeft beslist.
De rechtbank verklaart het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Zij verwijst naar het '8+8 wekenmodel' zoals gehanteerd door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar overweegt dat in gevallen waarin de totale beslistermijn van 21 maanden wordt overschreden, een kortere termijn passend is. Daarom legt de rechtbank een nieuwe beslistermijn op van acht weken na het verstrijken van de 21 maanden, zijnde uiterlijk 9 februari 2026.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister niet binnen deze termijn beslist, met een maximum van € 15.000,-. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50. De rechtbank benadrukt dat deze termijn voldoende is voor een zorgvuldige besluitvorming en niet onnodig lang of onrealistisch kort is.