Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
mede namens hun minderjarige kind [minderjarige], V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Oukil),
Rechtbank Den Haag
Eisers, van Turkse nationaliteit, hebben beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om hun aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit op de Dublinverordening, die bepaalt dat de lidstaat die verantwoordelijk is voor de asielaanvraag deze in behandeling moet nemen, in dit geval Kroatië.
Eisers voerden aan dat zij in Kroatië onmenselijk behandeld zijn en dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet toegepast mag worden omdat zij daar niet konden klagen. De rechtbank oordeelt dat de minister in beginsel mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, bevestigd door eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Eisers hebben onvoldoende concrete en objectieve aanwijzingen geleverd om dit vermoeden te weerleggen.
Daarnaast stelden eisers dat de minister hun aanvragen onverplicht aan zich had moeten trekken op grond van artikel 17 van Pro de Dublinverordening vanwege hun medische omstandigheden. De rechtbank vindt dat de minister terecht heeft geoordeeld dat er geen bijzondere, individuele omstandigheden zijn die een overdracht aan Kroatië onevenredig hard maken. De medische stukken tonen geen ernstige of onomkeerbare achteruitgang bij overdracht, en Kroatië beschikt over adequate medische voorzieningen.
De rechtbank concludeert dat de beroepen ongegrond zijn en dat het besluit van de minister in stand blijft. Eisers krijgen geen proceskostenvergoeding. De uitspraak is gedaan door rechter J.J. Catsburg op 30 oktober 2025.
Uitkomst: De beroepen tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvragen worden ongegrond verklaard en het besluit van de minister blijft in stand.