Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen
mede namens hun minderjarige kind [minderjarige], V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S. Oukil),
Rechtbank Den Haag
In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag de beroepen van eisers, een gezin van Turkse nationaliteit, tegen het niet in behandeling nemen van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister van Asiel en Migratie heeft de aanvragen op 7 oktober 2025 afgewezen, met het argument dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van deze aanvragen op basis van de Dublinverordening. De rechtbank heeft de beroepen op 21 oktober 2025 behandeld, waarbij eisers en hun gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk.
De rechtbank oordeelt dat de minister in zijn recht staat om de aanvragen niet in behandeling te nemen, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn dat de behandeling van de asielaanvragen in Kroatië in strijd zou zijn met de mensenrechten. Eisers hebben aangevoerd dat zij in Kroatië onmenselijk zijn behandeld en dat zij niet kunnen vertrouwen op de Kroatische autoriteiten. De rechtbank stelt echter vast dat de minister mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, dat inhoudt dat lidstaten van de EU ervan uit mogen gaan dat andere lidstaten hun internationale verplichtingen nakomen.
De rechtbank concludeert dat eisers onvoldoende bewijs hebben geleverd om aan te tonen dat hun situatie in Kroatië zou leiden tot een schending van hun rechten onder het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond, wat betekent dat de beslissing van de minister om de aanvragen niet in behandeling te nemen, in stand blijft. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten en de uitspraak is openbaar gemaakt op 30 oktober 2025.