ECLI:NL:RBDHA:2025:2049
Rechtbank Den Haag
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen voortduren maatregel bewaring zonder zicht op uitzetting afgewezen
Eiser, met de Algerijnse nationaliteit, verbleef sinds 3 september 2024 in bewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank had eerder de rechtmatigheid van de maatregel tot 27 december 2024 vastgesteld, zodat nu alleen het voortduren daarna werd beoordeeld.
Eiser voerde aan dat er geen zicht was op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, omdat de lp-aanvraag onbeantwoord bleef ondanks meerdere rappels. Tevens stelde hij dat de overheid onvoldoende voortvarend handelde en dat een lichter middel toegepast had moeten worden, mede omdat hij bereid was terug te keren en zelf contact had gezocht met de Algerijnse autoriteiten.
De rechtbank oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat het zicht op uitzetting ontbrak. Er was geen bewijs dat de lp-aanvraag was afgewezen of dat de Algerijnse autoriteiten geen medewerking zouden verlenen. Verweerder had voldoende voortvarend gehandeld door het voeren van vertrekgesprekken en regelmatige rappels. Ook was het niet aannemelijk dat een lichter middel passend was, mede omdat eiser niet volledig meewerkte.
Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.