Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:21233

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
11 november 2025
Zaaknummer
SGR 25/5356
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Rechtbank bepaalt termijn voor UWV om medisch bezwaarbesluit te nemen na overschrijding

Eiseres maakte bezwaar tegen een besluit van het UWV waarin zij werd afgewezen voor een WIA-uitkering. Het UWV besloot niet tijdig op het bezwaar, waarna eiseres beroep instelde wegens het uitblijven van een beslissing. De rechtbank stelde vast dat het UWV de beslistermijn had overschreden en dat het beroep gegrond was.

De rechtbank verwees naar eerdere uitspraken waarin is bepaald dat bij medische bezwaren een termijn van zes weken wordt gegeven voor een medische beoordeling door een verzekeringsarts, gevolgd door drie weken voor het nemen van een besluit, in totaal maximaal negen weken. In dit geval was nog geen medische beoordeling gepland of uitgevoerd, waardoor het UWV binnen deze termijn een beslissing moet nemen.

De rechtbank legde een dwangsom op van €100 per dag met een maximum van €15.000,- voor elke dag dat het UWV de termijn overschrijdt. Tevens werd het betaalde griffierecht aan eiseres vergoed en werden proceskosten toegekend. De uitspraak werd gedaan zonder zitting vanwege de kennelijke gegrondheid van het beroep.

Uitkomst: Het UWV moet binnen negen weken na verzending van de uitspraak een beslissing nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/5356

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. E.H.D. Koppelaar),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen,het Uwv
(gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).

Inleiding

1.1.
In het besluit van 5 augustus 2024 heeft het Uwv bepaald dat eiseres niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). Eiseres heeft op 2 september 2024 tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
1.2.
Eiseres heeft op 15 augustus 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op bezwaar.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2.1
De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het bezwaar is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 27 februari 2025 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 28 februari 2025 tot het moment van instellen van beroep zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het bezwaar. Het beroep is daarom gegrond.
2.2
Het Uwv heeft op 1 mei 2025 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
3.1.
Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
3.2.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv te gelasten binnen twee weken, dan wel binnen een andere redelijke termijn, een besluit bekend te maken.
3.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door een tekort aan verzekeringsartsen bezwaar en beroep en toenemende drukte.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
3.5.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
3.6.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
4. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift aangegeven dat de zaak inmiddels bij de verzekeringsarts bezwaar en beroep ligt, en dat het hoopt zo snel mogelijk een beslissing te kunnen afgeven. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar op 21 november 2024 blijkt niet dat bij die hoorzitting een verzekeringsarts aanwezig was. Het is de rechtbank ook niet gebleken dat op een ander moment een medische beoordeling heeft plaatsgevonden, en evenmin dat bekend is wanneer de medische beoordeling zal plaatsvinden. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak.
5. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. De rechtbank stelt vast dat een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- in overeenstemming is met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit dossier van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
6. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
7. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een beslissing op bezwaar bekend te maken;
  • bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd.