ECLI:NL:RBDHA:2025:21327

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
12 november 2025
Zaaknummer
NL25.46971 en NL25.46975
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 42 Vreemdelingenwet 2000Art. 6:12 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 Procedurerichtlijn
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Minister moet binnen termijn beslissen op asielaanvragen en dwangsom betalen bij overschrijding

Eisers hebben beroep ingesteld omdat de minister niet tijdig heeft beslist op hun asielaanvragen van 2 april 2024. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister ondanks verzoeken niet binnen twee weken heeft beslist.

De rechtbank verklaart de beroepen ontvankelijk en kennelijk gegrond. De minister wordt opgedragen om uiterlijk op 27 februari 2026 een besluit te nemen, waarbij rekening is gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’ en de maximale termijn van 21 maanden. De rechtbank acht deze termijn passend en zorgvuldig uitvoerbaar.

Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- voor elke dag dat de minister de nieuwe beslistermijn overschrijdt. Tevens veroordeelt de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van eisers, vastgesteld op € 453,50.

De uitspraak is gedaan door rechter R. Tesfai en openbaar gemaakt zonder zitting. Eisers krijgen gelijk en de minister moet binnen de gestelde termijn alsnog een besluit nemen, onder dreiging van dwangsommen.

Uitkomst: De minister moet uiterlijk 27 februari 2026 een besluit nemen en betaalt een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.46971 en NL25.46975

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam]

V-nummer: [nummer],

[naam],V-nummer: [nummer]

Mede namens hun kinderen:

[naam]Geboren op [geboortedag]

[naam],Geboren op [geboortedag]
[naam],Geboren op [geboortedag]
Reem Sharo Guli,
Geboren op [geboortedag]
gezamenlijk: eisers,
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over het beroep dat eisers hebben ingediend omdat de minister niet op tijd zou hebben beslist op de asielaanvragen van 2 april 2024.
1.1.
De rechtbank doet uitspraak zonder zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond?
2. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn om op de aanvragen te beslissen is verstreken. [2] Eisers hebben de minister, na het verstrijken van de termijn, gevraagd om alsnog binnen twee weken te beslissen. [3] Dat heeft de minister niet gedaan en eisers hebben vervolgens beroep ingesteld. [4]
3. De beroepen zijn ontvankelijk en kennelijk gegrond.

Welke beslistermijn legt de rechtbank de minister op?

4. De minister moet alsnog een besluit nemen op de aanvragen. [5] De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft geoordeeld dat bij het bepalen van een nieuwe beslistermijn rekening moet worden gehouden met het ‘8+8 wekenmodel’. [6]
5. De rechtbank oordeelt dat in de gevallen zoals deze, waarin met het opleggen van een beslistermijn volgens het ‘8+8 wekenmodel’ de bovengrens van 21 maanden [7] wordt overschreden een kortere beslistermijn passend is. Dit betekent dat de minister binnen een termijn van acht weken na het verstrijken van de termijn van 21 maanden een besluit moet nemen op de aanvragen. Dat is op 27 februari 2026. De rechtbank overweegt dat de minister binnen deze termijn op zorgvuldig wijze een besluit kan nemen. Daarbij overweegt de rechtbank dat deze termijn niet onnodig lang en niet onrealistisch kort is.
Legt de rechtbank de minister een dwangsom op?
6. De rechtbank legt alleen een rechterlijk dwangsom op. [8]
7. De rechtbank bepaalt in deze zaken dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-, [9] als de minister niet binnen de door de rechtbank opgelegde termijn een besluit op de aanvragen neemt.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en de minister uiterlijk op 27 februari 2026 alsnog een besluit moet nemen. Doet de minister dat niet, dan is hij aan eisers een dwangsom verschuldigd.
9. De minister moet de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Omdat er sprake is van samenhang stelt de rechtbank deze kosten vast op € 453,50. [10]

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op om uiterlijk op 27 februari 2026 alsnog een besluit op de aanvragen bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van A.W. Landman, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 42 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder a, van de Awb.
4.Artikel 6:12, tweede lid aanhef en onder b, van de Awb.
5.Artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b, van de Awb.
7.Artikel 31, vijfde lid, van de Procedurerichtlijn.
9.Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb.
10.Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door de gemachtigde verleende rechtsbijstand, waarbij 1 punt is gerekend voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 0,5.