ECLI:NL:RBDHA:2025:21431

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
10 november 2025
Publicatiedatum
13 november 2025
Zaaknummer
24/7736
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • J.E. van Essen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4.23 Invoeringswet OmgevingswetArt. 56 bestemmingsplanArt. 12 bestemmingsplanOmgevingswetWet algemene bepalingen omgevingsrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewoning van schuur in strijd met bestemmingsplan en weigering beroep op overgangsrecht

De zaak betreft een geschil over de bewoning van een schuur die volgens het bestemmingsplan niet als woning mag worden gebruikt. Het college van burgemeester en wethouders van Teylingen legde een last onder dwangsom op nadat werd geconstateerd dat de schuur werd bewoond, terwijl op het bouwvlak al een woning aanwezig was. Eiser maakte bezwaar tegen de dwangsom en het invorderingsbesluit, maar deze werden ongegrond verklaard.

Eiser voerde aan dat hij een beroep kon doen op overgangsrecht omdat de bewoning al sinds 1995 zou bestaan. De rechtbank oordeelde dat dit beroep niet toekomt omdat de bewoning niet was toegestaan onder eerdere bestemmingsplannen en eiser dit niet in bezwaar tegen de dwangsom had aangevoerd. Ook stelde de rechtbank vast dat het evenredigheidsbeginsel niet tot het afzien van invordering leidt, omdat er geen bijzondere omstandigheden waren die de invordering onuitvoerbaar maakten.

De rechtbank concludeerde dat het college terecht het invorderingsbesluit heeft genomen en verklaarde het beroep ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter J.E. van Essen op 10 november 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen het invorderingsbesluit wordt ongegrond verklaard en de dwangsom blijft verschuldigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/7736

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] uit [woonplaats 1] , eiser(gemachtigde: [naam 1] )

en

het college van burgemeester en wethouders van Teylingen, het college (gemachtigden: [naam 2] en [naam 3] ).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit [woonplaats 2] .

Procesverloop

1. Op 21 januari 2022 constateerde het college dat een schuur aan de [adres] in [plaats] door de zoon van eiser (de derde-belanghebbende in deze zaak) als woonruimte werd gebruikt. Volgens het bestemmingsplan is maximaal één woning per bouwvlak toegestaan. Omdat op het bouwvlak al een andere woning aanwezig was, stuurde het college eiser een vooraankondiging tot het opleggen van een last onder dwangsom om de bewoning van de schuur te beëindigen. Nadat de bewoning voortduurde, legde het college een last onder dwangsom op. Eiser heeft bezwaar gemaakt en dit werd ongegrond verklaard. Eiser heeft geen beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar, waardoor deze onherroepelijk is geworden.
1.1.
Op 11 januari 2024 stelde het college vast dat ook op dat moment niet aan de last was voldaan en stuurde aan eiser een vooraankondiging tot het nemen van een invorderingsbesluit. Eiser bracht hiertegen een zienswijze naar voren. Op 25 maart 2024 ging het college over tot invordering van de inmiddels verbeurde dwangsom van € 5000. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het invorderingsbesluit en dit bezwaar werd op 8 augustus 2024 ongegrond verklaard. Dit is in deze zaak het bestreden besluit.
1.2.
Eiser heeft op 18 september 2024 beroep ingesteld en op 15 oktober 2024 de beroepsgronden aangevuld. Verweerder heeft op 18 november 2024 gereageerd met een verweerschrift. De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2025 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben eiser, zijn gemachtigde en de gemachtigden van het college deelgenomen.

Toetsingskader

2. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een last onder dwangsom is opgelegd voor een overtreding of dreigende overtreding, vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid en eerste lid onder c, van de Invoeringswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven. Het college heeft op 4 januari 2023 een last onder dwangsom opgelegd aan eiser. In dit geval blijft de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing.
2.1.
Op het perceel geldt het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 1] ’. Het deel waarop de schuur staat heeft de bestemmingen ‘Wonen’, ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Agrarisch - Bollenteelt - bollenzone 1’. Op grond van artikel 56, tweede lid, onder c van het bestemmingsplan is maximaal één woning per bouwvlak toegestaan.
2.2.
Ook is het oude bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ van 1989 van belang. Artikel 12, vijfde lid luidt:
“Extra bedrijfswoning
5. Burgemeester en wethouders kunnen - met inachtneming van het bepaalde in artikel 11 - vrijstelling verlenen van het bepaalde in lid 3 onder h ten behoeve van een tweede agrarische bedrijfswoning met inachtneming van het volgende:
a. een doelmatige voortzetting van het bedrijf moet de bouw van de extra bedrijfswoning noodzakelijk maken;
b. ten behoeve van het bedrijf mag niet reeds meer dan één woning aanwezig zijn of sinds het van kracht worden van het plan aanwezig zijn geweest, tenzij bedoelde woning(en) is (zijn) of zal (zullen) worden afgebroken of op andere wijze teniet is (zijn) gegaan;
c. de bebouwing waarvoor vrijstelling zal worden verleend mag op geen grotere afstand van de bestaande bedrijfsbebouwing worden gebouwd dan voor een doelmatige bedrijfsvoering noodzakelijk is;
d. de inhoud van de tweede bedrijfswoning mag ten hoogste 600 m3 bedragen;
e. de gezamenlijke oppervlakte van de bij de tweede bedrijfswoning behorende vrijstaande of aangebouwde garages, bergplaatsen en overkappingen mag ten hoogste 40 m2 bedragen.”

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het college een juiste beslissing heeft genomen. Eiser krijgt dus ongelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Is er sprake van overgangsrecht?
4. Volgens eiser is het invorderingsbesluit onrechtmatig omdat hij een beroep kan doen op het overgangsrecht. Het bouwwerk wordt namelijk al sinds 1995 gebruikt ten behoeve van wonen. Onder het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ van 1989 kon door het college vrijstelling worden verleend voor een tweede agrarische bedrijfswoning en deze mogelijkheid om een vrijstelling te verlenen is voortgezet onder het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 3] ’ uit 2002.
4.1.
Volgens het college kunnen in de beroepsprocedure tegen het invorderingsbesluit niet met succes gronden naar voren worden gebracht die tegen de last onder dwangsom hadden moeten worden aangevoerd. Bovendien komt eiser geen beroep op het overgangsrecht toe. Het gebruik van de schuur als woning was onder de voorgaande bestemmingsplannen ook niet toegestaan. De door eiser genoemde bepaling uit het bestemmingsplan van 1989 is in dit geval niet van toepassing omdat er geen sprake was van bedrijfsvoering. Ook heeft eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de schuur reeds voor inwerkingtreding van het bestemmingsplan 2002 bewoond werd en dat de bewoning daarna onafgebroken is voortgezet.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) kan een belanghebbende tegen een invorderingsbeschikking slechts in uitzonderlijke gevallen met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren heeft gebracht of had kunnen brengen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld bestaan indien evident is dat er geen overtreding is begaan of betrokkene geen overtreder is. [1]
4.3.
In dit geval heeft eiser in de bezwaarprocedure tegen de last onder dwangsom niet naar voren gebracht dat hem een beroep op het overgangsrecht toekomt, hoewel hij dit wel had kunnen doen. Eiser heeft in de bezwaarprocedure tegen de invorderingsbeschikking wél naar voren gebracht dat hem een beroep op het overgangsrecht toekomt. In die procedure wees de adviescommissie bezwaarschriften erop dat eiser het beroep op het overgangsrecht naar voren had moeten brengen in de procedure tegen het dwangsombesluit.
4.4.
Uit hetgeen in de huidige procedure is aangevoerd blijkt niet dat zich een uitzonderlijk geval voordoet waardoor eiser met succes gronden naar voren kan brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Zo is niet evident dat geen overtreding is begaan. De bewoning van het gebouw is namelijk in strijd met het bestemmingsplan, omdat op het bouwvlak slechts één woning aanwezig mag zijn. Ook is in dit geval niet evident dat eiser geen overtreder is.
4.5.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de schuur geen tweede agrarische bedrijfswoning is, waardoor artikel 12, vijfde lid van het bestemmingsplan ‘ [bestemmingsplan 2] ’ van 1989 niet van toepassing was. Het bewonen van de schuur was dus ook onder het oude bestemmingsplan niet toegestaan en eiser kan op grond van deze bepaling geen geslaagd beroep doen op het overgangsrecht.
4.6.
Deze beroepsgrond slaagt niet.
Zijn er bijzondere omstandigheden die in de weg staan aan invordering?
5. Volgens eiser is het invorderingsbesluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel. Het college gaat eraan voorbij dat door de omstandigheden op de woningmarkt geen vervangende woonruimte te vinden is. Er is ook geen belang bij de handhaving dat opweegt tegen de belangen van het gezin van zijn zoon.
5.1.
Volgens het college is het evenredigheidsbeginsel bij het bezwaar tegen de last onder dwangsom al aan bod gekomen. Of handhaving onevenredig is staat in dit stadium van de procedure niet meer ter discussie, ook omdat de dwangsom inmiddels van rechtswege verbeurd is. De algemene problemen met betrekking tot de woningmarkt zijn voor het college geen bijzondere omstandigheid om van handhaving af te zien.
5.2.
De rechtbank vat het betoog van eiser op als een beroep op de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden, op grond waarvan van invordering zou moeten worden afgezien. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een zwaarwegend gewicht dient te worden toegekend. Een andere opvatting zou afdoen aan het gezag dat behoort uit te gaan van de oplegging van een last onder dwangsom. Adequate handhaving vergt dat opgelegde sancties worden geëffectueerd en dat verbeurde dwangsommen worden ingevorderd. Alleen onder bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van invordering worden afgezien. [2] Bijzondere omstandigheden doen zich bijvoorbeeld voor wanneer de last onuitvoerbaar is. [3] Financiële en gezondheidsredenen hoeven bovendien niet aan uitvoerbaarheid in de weg te staan. [4] Ook kan concreet zicht op legalisatie in de weg staan aan invordering. [5]
5.3.
In deze zaak is niet gebleken van bijzondere omstandigheden waardoor moet worden afgezien van invordering. De aangevoerde situatie op de woningmarkt, die het vinden van alternatieve woonruimte voor de derde-belanghebbende en zijn gezin bemoeilijkt, kan het lastig hebben gemaakt om de bewoning te beëindigen maar maakt niet dat de last onuitvoerbaar was. Voor zover eiser betoogt dat met zijn aanvraag van
10 september 2024 voor een omgevingsvergunning om de schuur als woning te mogen gebruiken sprake was van concreet zicht op legalisatie, overweegt de rechtbank dat er ten tijde van het bestreden besluit nog geen aanvraag was gedaan en dat het college nadien, op 22 november 2024, het voornemen heeft geuit de aanvraag te weigeren. Er was dus geen concreet zicht op legalisatie, zodat alleen al daarom het betoog niet slaagt.
5.4.
Het college heeft in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat er geen bijzondere omstandigheden waren die in de weg stonden aan invordering. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.E. van Essen, rechter, in aanwezigheid van
mr. H. Raben, griffier.Uitgesproken in het openbaar op 10 november 2025.
de griffier is buiten staat te tekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4786.
2.Uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4553 en de daarin geciteerde uitspraken van de Afdeling.
3.Uitspraken van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1405, r.o. 2.5 en
4.Uitspraak van de Afdeling van 9 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:378, r.o. 12.3.
5.Zie o.a. uitspraak van de Afdeling van 15 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2735.