ECLI:NL:RBDHA:2025:21566

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 november 2025
Publicatiedatum
17 november 2025
Zaaknummer
NL25.53809
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortzetting vreemdelingenbewaring wegens zicht op uitzetting naar Algerije

De minister heeft op 13 juni 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die van Algerijnse nationaliteit is. Eiser heeft tegen de voortzetting van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft eerder op 15 oktober 2025 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was.

In deze procedure toetst de rechtbank of de maatregel sinds 8 oktober 2025 nog steeds rechtmatig is. Eiser stelt dat het zicht op uitzetting ontbreekt omdat de laissez-passer-aanvraag aan Algerije al negen maanden zonder reactie is. Ook voert hij aan dat de bewaring zwaar voor hem is en dat een lichter middel passend is.

De rechtbank oordeelt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt omdat de aanvraag nog in behandeling is en er geen aanwijzingen zijn dat Algerije geen laissez-passer zal afgeven. Eiser weigert medewerking aan zijn uitzetting, wat de duur van de bewaring beïnvloedt. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting, zoals blijkt uit gesprekken en rappelleringen aan Algerijnse autoriteiten. De rechtbank ziet geen reden om de bewaring te beëindigen of te verzachten en verklaart het beroep ongegrond, evenals het verzoek om schadevergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53809

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

geboren op [geboortedatum] ,
van Algerijnse nationaliteit,
V-nummer: [nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.J.P. Cats),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. K.J. Diender).

Procesverloop

1. De minister heeft op 13 juni 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 14 november 2025 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen op de rechtbank in Groningen. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 15 oktober 2025 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 8 oktober 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser voert aan dat op 5 februari 2025, bijna negen maanden geleden, een lp [3] -aanvraag naar de Algerijnse autoriteiten is verzonden. Hierop is nog geen enkele reactie gekomen. Daarom meent eiser dat niet meer gesproken kan worden van zicht op uitzetting. Ook betoogt eiser dat de vreemdelingenbewaring voor hem steeds zwaarder wordt. Zo heeft hij last van slaapproblemen. Eiser is bereid om zich aan vreemdelingentoezicht te onderwerpen en zal zich aan een eventuele meldplicht houden. Eiser meent dan ook dat het opleggen van een lichter middel in de rede ligt.
Oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. De lp-aanvraag is nog steeds in onderzoek en er zijn op dit moment geen aanknopingspunten waaruit blijkt dat de Algerijnse autoriteiten geen lp zullen afgeven. Daar komt bij dat eiser nog steeds iedere medewerking aan zijn uitzetting weigert. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 15 oktober 2025 verklaard dat hij niets heeft gedaan om aan documenten te komen en heeft hij ook geweigerd om een vrijwilligersbrief te schrijven. Dat de bewaring daardoor langer duurt komt dan ook voor zijn rekening en risico. Niet is uitgesloten dat, indien eiser zijn volledige medewerking verleent, de Algerijnse autoriteiten (sneller) zullen overgaan tot het verlenen van een lp. Ook hierom is het zicht op uitzetting gegeven.
5.1.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 15 oktober 2025 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Daarnaast heeft de minister op 16 oktober 2025 en 7 november 2025 (schriftelijk) gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten.
5.2.
De rechtbank heeft in de hiervoor onder 2. genoemde uitspraak geoordeeld dat het toepassen van een lichter middel niet volstaat om de uitzetting van eiser te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser ook in onderhavige procedure geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven om te oordelen dat een lichter middel wel zou kunnen volstaan of dat de voortzetting van de vreemdelingenbewaring niet langer gerechtvaardigd zou zijn. De enkele stelling van eiser dat de bewaring hem zwaar valt, maakt dat niet anders.
5.3.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond van het oordeel dat de maatregel in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van R. de Boer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
3.Laissez-passer.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Afdeling (de Afdeling) van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.