ECLI:NL:RBDHA:2025:216
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring in vreemdelingenzaak
Eiser, met de Tunesische nationaliteit, is op 11 augustus 2024 een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het voortduren van de maatregel reeds eerder getoetst en oordeelde dat deze tot 25 november 2024 rechtmatig was. De beoordeling richt zich nu op de periode vanaf die datum. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt om zijn vertrek naar Tunesië te realiseren en dat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn.
De rechtbank stelt vast dat de grondslag voor bewaring onverkort aanwezig is en dat het LP-traject (laissez-passer) nog gaande is. Verweerder rapporteert regelmatig rappelleren bij de Tunesische autoriteiten en voert vertrekgesprekken met eiser, die niet meewerkt aan zijn terugkeer. De belangenafweging leidt tot het oordeel dat het belang van verweerder om de maatregel te laten voortduren zwaarder weegt dan het belang van eiser om in vrijheid te worden gesteld.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.