Eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen van de minister van Asiel en Migratie op zijn aanvraag voor een machtiging voor voorlopig verblijf van 7 november 2024. De minister had de beslistermijn van 90 dagen met drie maanden verlengd, maar ook deze verlenging is verstreken zonder besluit.
De kern van het geschil betrof de geldigheid van de ingebrekestelling die eiser elektronisch op 26 juni 2025 heeft ingediend. De minister stelde dat deze niet geldig was vanwege niet-naleving van nadere eisen, maar de rechtbank oordeelde dat de ingebrekestelling geldig was, mede omdat de minister de ontvangst had bevestigd zonder inhoudelijke motivering van de ongeldigverklaring.
De rechtbank stelde vast dat de minister niet binnen twee weken na ingebrekestelling had beslist en verklaarde het beroep ontvankelijk en gegrond. Gezien het dossier mogelijk nog niet compleet is en nader onderzoek gepland staat, legde de rechtbank een nieuwe beslistermijn van acht weken op.
Daarnaast legde de rechtbank een dwangsom op van €100 per dag bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van €15.000. De bestuurlijke dwangsom is echter afgeschaft voor ingebrekestellingen na 15 april 2025, waardoor alleen de rechterlijke dwangsom geldt.
Tot slot veroordeelde de rechtbank de minister tot vergoeding van de proceskosten van €453,50 en het betaalde griffierecht van €194 aan eiser.