ECLI:NL:RBDHA:2025:5864
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - meervoudig
- I.A.M. van Boetzelaer - Gulyas
- G.J.H. Boerhof
- B. Koopman
- Rechtspraak.nl
Rechtbank oordeelt over sluiting elektronische indiening ingebrekestellingen in asielzaken
Verzoeker, afkomstig uit Eritrea, diende in juni 2022 een asielaanvraag in. Na een eerdere procedure werd zijn aanvraag alsnog in behandeling genomen. Tussen juni 2022 en mei 2024 was het voor advocaten mogelijk ingebrekestellingen elektronisch in te dienen via het Portaal voor Advocaten. De minister besloot deze elektronische weg in mei 2024 te sluiten, omdat ingebrekestellingen niet goed werden onderkend. Verzoeker diende op 15 mei 2024 een ingebrekestelling in via dit portaal, waarna hij een beroep instelde wegens het niet tijdig beslissen.
De rechtbank stelt vast dat de openstelling van elektronisch verkeer facultatief is en dat een bestuursorgaan een eerder geopende elektronische weg kan sluiten, maar alleen met een deugdelijke motivering. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom sluiting noodzakelijk was en heeft niet onderzocht of minder ingrijpende maatregelen mogelijk waren. Ook is de ingebrekestelling van verzoeker niet ongeldig vanwege de sluiting van het portaal.
Daarnaast oordeelt de rechtbank dat de ingebrekestelling niet prematuur was, omdat de maximale beslistermijn van 21 maanden vanaf de asielaanvraag liep en op 13 maart 2024 was verstreken. Het beroep was ontvankelijk en gegrond. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding toe en veroordeelt de minister tot betaling van € 1.360,50.
Uitkomst: De rechtbank oordeelt dat de minister de elektronische indieningsweg niet deugdelijk heeft gesloten en veroordeelt hem tot betaling van € 1.360,50 aan proceskosten aan verzoeker.