ECLI:NL:RBDHA:2025:22109

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
NL24.7524 en NL23.26145
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging tijdelijke bescherming en terugkeerbesluit voor derdelander Oekraïne

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 24 november 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de beëindiging van de tijdelijke bescherming van een derdelander uit Oekraïne, eiser, en het daaropvolgende terugkeerbesluit. Eiser had op 19 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend, welke op 25 augustus 2023 buiten behandeling werd gesteld. Op 7 februari 2024 werd een terugkeerbesluit vastgesteld, waartegen eiser op 27 februari 2024 beroep instelde. De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 behandeld, maar eiser en zijn gemachtigde hebben daags voor de zitting laten weten niet te zullen verschijnen. De rechtbank heeft in haar uitspraak benadrukt dat het recht om te verschijnen geen plicht is, maar dat het niet verschijnen van partijen leidt tot vertraging voor andere rechtzoekenden. De rechtbank heeft eerder geoordeeld dat de beëindiging van de tijdelijke bescherming niet in strijd is met het Unierecht en dat de verplichtingen uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 niet vereisen dat een verblijfsvergunning wordt verleend. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond en veroordeelde de verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00. De rechtbank heeft de uitspraak openbaar gedaan en vermeld dat er een rechtsmiddel kan worden aangewend binnen vier weken na bekendmaking.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.7524 en NL23.26145
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer],

geboren op [geboortedatum] 1989, Algerijnse nationaliteit,
eiser,
(gemachtigde: mr. [advocaat]),
en

de Minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. N. Joseph).

Zitting hebben:

M.M.P. van Diepen, griffier.
Mr. S. van Lokven, rechter.

Procesverloop

Eiser heeft op 19 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze asielaanvraag op 25 augustus 2023 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft geen rechtsmiddel tegen dit besluit ingesteld.
Verweerder heeft op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit vastgesteld (bestreden besluit I). Eiser heeft op 27 februari 2024 beroep ingesteld tegen dit terugkeerbesluit van 7 februari 2024 (NL23.26145).
Op 14 mei 2024 heeft de rechtbank partijen bericht dat het beroep wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die door het Hof in de gevoegde zaken C-244/24 en C-290/24 zijn beantwoord in het arrest Kaduna van 19 december 2024 (ECLI:EU:C:2024:1038).
Bij besluit van 29 juli 2025 (bestreden besluit II) heeft verweerder het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 ingetrokken en dit besluit onder verwijzing naar artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Het op 27 februari 2024 ingediende beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het terugkeerbesluit van 29 juli 2025 (geregistreerd onder NL24.7524).
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser heeft daags voor de zitting een bericht in het dossier geplaatst dat eiser en zij niet zullen verschijnen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na de behandelingen van de beroepen heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en aansluitend mondeling uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen bestreden besluit I van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk (NL23.26145);
  • verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 29 augustus 2025 ongegrond (NL24.7524);
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 907,00.

Overwegingen

1. De rechtbank overweegt allereerst dat de zittingscapaciteit bij de rechtbank zeer beperkt is. Partijen zijn op 17 oktober 2025 geïnformeerd over de dag en het tijdstip waarop de beide beroepen worden behandeld. Eiser en zijn gemachtigde geven een maand later, op 20 november 2025, daags voor de zitting te kennen ‘geen behoefte te hebben aan een mondelinge toelichting ter zitting’ en daarom alleen nog wat stukken te overleggen die ‘eiser graag aan het dossier wil toevoegen en onder de aandacht van de rechtbank wil brengen'. De rechtbank baalt van deze proceshouding. Er zijn namelijk meer ‘derdelanders Oekraïne’ dan eiser en die willen wellicht wel ter zitting worden gehoord. De rechtbank houdt er bij deze zaken, gelet op eerdere ervaringen ‘met derdelanders Oekraïne’, rekening mee dat enkele dagen voor de zittingsdag berichten van verweerder over ‘mob-meldingen’ komen en/of dat medegedeeld wordt dat niet zal worden verschenen. De rechtbank agendeert daarom doorgaans meer zaken op een zitting als de onderhavige. De rechtbank verzoekt gemachtigden desondanks om zorgvuldiger om te gaan met de geboden zittingstijd. Indien de rechtbank aankondigt het beroep ter zitting te zullen behandelen en zeker als reeds een zittingsdatum is bepaald, is het aangewezen om op dat moment te bedenken of er behoefte bestaat aan een mondelinge toelichting ter zitting. Vanzelfsprekend is het een recht en geen plicht om te verschijnen. Het daags voor de zitting mededelen geen gebruik te zullen maken van dat recht, betekent echter simpelweg dat andere rechtzoekenden nog langer moeten wachten totdat zij een uitnodiging ontvangen van de rechtbank om gebruik te maken van hun recht om te worden gehoord op hun beroep. De rechtbank kampt met forse achterstanden bij het behandelen van beroepen en probeert de beschikbare capaciteit en ruimte zo efficiënt mogelijk in te zetten waarbij het uitgangspunt is dat rechtzoekenden hun beroep ter zitting kunnen toelichten. De rechtbank verwacht dat verweerder bij elke zitting verschijnt en verwacht dat gemachtigden van rechtzoekenden tijdig kenbaar maken als zij niet zullen verschijnen. De rechtbank vraagt er daarom aandacht voor en verzoekt de beslissing om al dan niet te verschijnen, voor zover mogelijk, eerder te maken zodat andere zaken kunnen worden geagendeerd en andere rechtzoekenden niet nog langer hoeven te wachten. De rechtbank merkt hierbij op dat uit het dossier geen enkele indicatie blijkt dat de beslissing om niet te verschijnen niet aanstonds na bekend raken met de zittingsuitnodiging had kunnen worden genomen.
2. De rechtbank overweegt voorts dat eiser tot de categorie personen aan wie verweerder onverplicht tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) heeft verleend behoort en welke bescherming nu door verweerder is beëindigd en jegens wie daarom een terugkeerbesluit wordt vastgesteld. Eiser komt op tegen de beëindiging van het rechtmatige verblijf en de vaststelling van het terugkeerbesluit.
3. De rechtbank stelt vast dat verweerder bestreden besluit I heeft ingetrokken en eiser een proceskostenveroordeling van 1 punt heeft aangeboden. Eiser heeft het beroep niet ingetrokken zodat de rechtbank nog moet beslissen op dat beroep. De rechtbank overweegt dat eiser geen procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van dat beroep. Doordat verweerder bestreden besluit I heeft ingetrokken heeft eiser destijds immers weer rechtmatig verblijf gekregen en dat was de inzet van die procedure. De rechtbank zal dat beroep dan ook niet-ontvankelijk verklaren. Omdat verweerder bestreden besluit I ten onrechte heeft genomen, zal de rechtbank wel een proceskostenveroordeling uitspreken en verweerder alsnog opdragen tot vergoeding van de aangeboden maar niet geaccepteerde proceskostenvergoeding. Verweerder heeft hier ter zitting ook geen bezwaar tegen gemaakt.
3. Uit het terugkeerbesluit van 29 augustus 2025 blijkt dat verweerder de tijdelijke bescherming van eiser heeft beëindigd op 4 maart 2024. Eiser is opgedragen om terug te keren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft en hij moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten. Indien eiser niet uit eigen beweging voldoet aan zijn terugkeerverplichting kan hij worden verwijderd. Verweerder heeft het vaststellen van het terugkeerbesluit gesignaleerd in het Schengen Informatie Systeem. In het terugkeerbesluit is tevens vermeld dat eiser ten tijde van het besluit onder de zogenoemde ‘bevriezingsmaatregel’ valt, die op 4 september 2025 zal eindigen. Omdat eiser een openstaande beroepszaak tegen het eerder aan hem opgelegde terugkeerbesluit en/of de beëindiging van zijn bescherming onder de RTB had, mag hij van verweerder blijven werken en gebruik maken van de gemeentelijke opvang en voorzieningen na 4 september 2025 totdat er een uitspraak is op dit beroep. Verweerder heeft verder bepaald dat eiser vanaf de datum van de uitspraak op beroep een termijn van vier weken heeft om uit de opvang en uit Nederland te vertrekken.
4. Eiser stelt dat hij sinds zijn vertrek naar Oekraïne geen intentie heeft gehad om terug te keren naar zijn land van herkomst, te weten Algerije. Zijn moeder is overleden, zijn vader woont op afstand en zijn broers en zussen verblijven in Frankrijk, waardoor hij in Algerije geen sociaal vangnet of toekomstperspectief heeft. In Nederland heeft eiser wel een bestaan opgebouwd: hij heeft hier gestudeerd en wil zich blijven ontwikkelen om een bijdrage te leveren aan de samenleving. Volgens eiser vormt het terugkeerbesluit daarom een ongerechtvaardigde inbreuk op zijn recht op privéleven. Daarnaast is zijn psychische toestand sinds de oorlog in Oekraïne ernstig verslechterd. Hij kampt met stress- en angstklachten, die worden verergerd door de onzekerheid over zijn verblijfsstatus. Gezien zijn kwetsbaarheid en het ontbreken van perspectief in Algerije, meent eiser dat van terugkeer moet worden afgezien. Eiser heeft daags voor de zitting een brief overgelegd waarin hij heeft uitgelegd waarom hij toen hij Oekraïne ontvluchtte bewust voor Nederland heeft gekozen terwijl hij was toegelaten als student bij een universiteit in Frankrijk.
5. De rechtbank zal het beroep voor zover dit is gericht tegen het op 29 augustus 2025 vastgestelde terugkeerbesluit ongegrond verklaren en motiveert dit als volgt.
6. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft in haar uitspraken van 15 september 2025 (ECLI:NL:RBDHA:2025:17077, ECLI:NL:RBDHA:2025:17078, JV 2025/272 met annotatie van mr. A. Pahladsingh, en ECLI:NL:RBDHA:2025:170790 onder meer onder verwijzing naar de uitspraken van de Afdeling van 17 januari 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:32) en van 23 april 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:1829) overwogen dat het beëindigen van de onverplichte tijdelijke bescherming niet in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel en dat de beëindiging niet disproportioneel of onevenredig is.
7. Eiser heeft zijn beroepsgronden dat het Unierechtelijke rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden of dat de beëindiging disproportioneel en/of onevenredig is op geen enkele wijze onderbouwd en de rechtbank ziet overigens geen aanleiding om thans anders te oordelen dan in de bovengenoemde uitspraken van 15 september 2025. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de Afdeling de uitspraak van de rechtbank die is gepubliceerd onder ECLI:NL:RBDHA:2025:17079 op 15 september 2025 heeft bevestigd met een zogenoemde 91.2 Vw-motivering. De Afdeling publiceert dit soort ‘kale bevestigingen’ niet, maar de gemachtigde van eiser is hiervan wel op de hoogte omdat zij ook de derdelander in die procedure in eerste aanleg heeft vertegenwoordigd.
8. De rechtbank heeft in de drie op 15 september 2025 gedane uitspraken overwogen dat de rechtbank de bevriezingsregeling aanmerkt als een collectieve uitstel van vertrek-regeling. Uit de bovengenoemde bevestiging door de Afdeling blijkt dat het hogerberoepschrift geen vragen bevatte die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moesten worden. De rechtbank gaat er van uit dat indien de rechtbank de bevriezingsregeling ten onrechte als niet onverenigbaar met het Unierecht had aangemerkt, de Afdeling de uitspraak van de rechtbank zou hebben vernietigd. In dat geval had immers geen vaststelling van illegaal verblijf kunnen plaatsvinden en zou het terugkeerbesluit onrechtmatig zijn.
9. De rechtbank is op grond van artikel 5 van richtlijn 2008/115 verplicht om bij de rechtmatigheidsbeoordeling van een terugkeerbesluit, welke rechterlijke controle een fase in de terugkeerprocedure is, rekening te houden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement te eerbiedigen. Om aan deze verplichting te voldoen dient de rechtbank -zo nodig ambtshalve- na te gaan of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de oplegging van een terugkeerbesluit.
10. De rechtbank overweegt dat deze beoordeling geen verband houdt met artikel 8 EVRM. Uit vaste jurisprudentie van het Hof volgt dat richtlijn 2008/115 noch de wijze waarop aan derdelanders een verblijfsrecht wordt toegekend, noch de gevolgen van illegaal verblijf op het grondgebied van een lidstaat van derdelanders ten aanzien van wie geen besluit tot terugkeer naar een derde land kan worden vastgesteld regelt en dat hieruit volgt dat geen enkele bepaling van richtlijn 2008/115 aldus kan worden uitgelegd dat zij vereist dat een lidstaat een verblijfsvergunning toekent aan een illegaal op zijn grondgebied verblijvende derdelander. Het Hof heeft ook uitdrukkelijk overwogen dat wat in het bijzonder artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 betreft, deze bepaling is beperkt tot de mogelijkheid voor de lidstaten om op basis van hun nationale recht, en niet op basis van het Unierecht, in schrijnende gevallen om humanitaire redenen een verblijfsrecht toe te kennen aan illegaal op hun grondgebied verblijvende derdelanders (zie bijvoorbeeld het arrest van het Hof van 22 november 2022, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, Medicinale Cannabis, C-69/21, EU:C:2022:913, punten 84-86).
11. De rechtbank overweegt dat uit deze uitleg volgt dat richtlijn 2008/115 niet ziet op de verkrijging van een verblijfsrecht of andere toestemming van verblijf, aan deze richtlijn dan ook geen verblijfsrecht kan worden ontleend en uit deze richtlijn dan ook geen verplichting voor verweerder kan voortvloeien om uit eigen beweging na te gaan of het verblijf van een derdelander moet worden geregulariseerd door een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf te geven. Artikel 6, lid 4, van richtlijn 2008/115 brengt om dezelfde redenen ook geen verplichting mee voor de rechterlijke autoriteit om ambtshalve na te gaan of een verblijfsvergunning of andere toestemming van verblijf moet worden verleend. De mogelijkheid die de Uniewetgever in deze bepaling aan de lidstaten biedt om bij wijze van uitzondering op de plicht om een terugkeerbesluit te nemen jegens illegaal verblijvende derdelanders, te allen tijde in schrijnende gevallen, om humanitaire of om andere redenen te beslissen deze derdelander een zelfstandige verblijfsvergunning of een andere vorm van toestemming tot verblijf te geven, betekent dus niet dat niet mag worden verwacht dat daartoe een aanvraag om zo een verblijfsrecht wordt gedaan. Richtlijn 2008/115 regelt dit namelijk niet en de wijze waarop de lidstaten al dan niet van deze bevoegdheid gebruik maken valt dan ook onder de procedurele autonomie van de lidstaten.
12. De vraag of aan eiser al dan niet een verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf moet worden verleend, vergt dus een andere beoordeling dan de vraag of verweerder bij het nemen van het terugkeerbesluit rekening heeft gehouden met de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en of verweerder het beginsel van non-refoulement heeft geëerbiedigd. Indien eiser meent dat hij aanspraak maakt op een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM, kan hij een daartoe strekkende aanvraag doen.
13. De rechtbank overweegt dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement niet aan het opleggen van het terugkeerbesluit in de weg staan. Uit het dossier, algemene informatie over het land van herkomst en het verhandelde ter zitting blijkt niet dat er zwaarwegende en op feiten berustende redenen zijn om aan te nemen dat eiser in zijn land van herkomst zal worden blootgesteld aan een reëel risico op behandelingen die door artikel 19, lid 2, van het Handvest, gelezen in samenhang met artikel 4 van het Handvest worden verboden. Eiser heeft voorts rechtmatig verblijf gehad op grond van de RTB. Dit enkele gegeven betekent niet dat het privéleven dat hij gedurende deze periode heeft opgebouwd aan het vaststellen van het terugkeerbesluit in de weg staat. Verweerder is immers bevoegd om het verblijfsrecht te beëindigen en indien na een periode van rechtmatig verblijf nimmer meer een terugkeerbesluit zou kunnen worden vastgesteld, zou dit dus betekenen dat eenmaal verleend en verkregen rechtmatig verblijf nooit kan meebrengen dat dit wordt beëindigd en ten gevolge daarvan een terugkeerverplichting kan ontstaan. Een verblijfsvergunning kan evenwel ook voor bepaalde tijd gelden, bijvoorbeeld indien voorwaarden aan de verblijfsvergunning zijn gekoppeld of als de redenen voor de verlening zijn komen te vervallen. Dat eiser in Frankrijk had kunnen studeren maar er bewust voor heeft gekozen om in Nederland een verblijfsrecht aan de RTB te kunnen ontlenen is niet relevant omdat dit niet kan afdoen aan de vaststelling dat eiser niet langer over een verblijfsrecht beschikt. De rechtbank overweegt voorts dat eiser zijn gestelde medische problemen niet heeft onderbouwd. De enkele stelling van eiser dat hij psychische klachten heeft is onvoldoende om aan de vaststelling van een terugkeerbesluit in de weg te staan. Eiser heeft gesteld familieleden te hebben die ook in de Unie verblijven. Het opleggen van een terugkeerbesluit betekent dat eiser de Unie moet verlaten en dit zou dus gevolgen kunnen hebben voor de contacten die eiser met deze familieleden onderhoudt. Eiser heeft evenwel geen enkele toelichting gegeven op de gevolgen die zijn vertrek uit de Unie voor de familierelaties heeft.
14. De rechtbank concludeert dus dat verweerder terecht heeft vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf (meer) heeft en dat verweerder terecht een terugkeerbesluit heeft vastgesteld en hierbij Algerije als land van terugkeer heeft aangemerkt. Het beroep voor zover dit gericht is tegen het op 29 augustus 2025 vastgestelde terugkeerbesluit is dan ook ongegrond.
De rechtbank heeft er melding van gemaakt dat een rechtsmiddel kan worden aangewend en welke termijn hiervoor geldt.
Deze uitspraak is aldus in het openbaar gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van M.M.P. van Diepen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 24 november 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.