ECLI:NL:RBDHA:2025:22153

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
24 november 2025
Zaaknummer
25/7220
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht

Op 18 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, die sinds 18 maart 2001 een bijstandsuitkering ontving op grond van de Participatiewet, had bezwaar gemaakt tegen de intrekking van zijn uitkering door het college van burgemeester en wethouders van Delft. De intrekking was gebaseerd op de schending van de inlichtingenplicht, omdat verzoeker zijn hoofdverblijf niet op het uitkeringsadres had. De voorzieningenrechter beoordeelde of er sprake was van spoedeisend belang bij het verzoek om voorlopige voorziening. Verzoeker stelde dat hij al enkele maanden geen bijstandsuitkering had ontvangen en in financiële problemen verkeerde, maar het college betwistte dit. De voorzieningenrechter concludeerde dat er geen spoedeisend belang was voor de terugvordering van de bijstand, maar dat de intrekking van de uitkering terecht was. De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af, wat betekent dat de intrekking van de bijstandsuitkering gehandhaafd blijft. De uitspraak heeft geen gevolgen voor een eventueel bodemgeding, dat later kan worden gevoerd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7220

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [woonplaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. K.W.M. Jansen),
en

het college van burgemeester en wethouders van Delft, het college

(gemachtigde: K.F. van der Meij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de intrekking van verzoekers uitkering op grond van de Participatiewet (Pw). Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 9 oktober 2025 heeft het college de uitkering van verzoeker ingetrokken vanaf 1 maart 2025 en de te veel betaalde bijstand over de periode 1 maart 2025 tot en met 31 juli 2025 van € 6.615,14 (netto) teruggevorderd. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeker, de gemachtigde van het college en [naam] (sociaal rechercheur).

De totstandkoming van het bestreden besluit

3. Verzoeker ontving sinds 18 maart 2001, met onderbreking van enkele korte perioden, een bijstandsuitkering op grond van de Pw, laatstelijk naar de norm van een alleenstaande.
3.1.
Naar aanleiding van een anonieme melding dat sprake is van illegaal onderverhuur van de woning op het uitkeringsadres, heeft het college nader onderzoek gedaan naar het recht op bijstand van verzoeker. De resultaten van het onderzoek staan in een rapportage Bijzonder Onderzoek (rapportage) van 7 oktober 2025.
3.2.
Het college heeft vervolgens het bestreden besluit genomen. Aan de intrekking en terugvordering heeft het college ten grondslag gelegd dat verzoeker zijn inlichtingenplicht heeft geschonden over zijn hoofdverblijf. Uit onderzoek is gebleken dat hij in ieder geval sinds 1 maart 2025 niet zijn hoofdverblijf heeft op het uitkeringsadres.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Spoedeisend belang
4. Op grond van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening vereist.
4.1.
Verzoeker stelt dat er sprake is van spoedeisend belang omdat hij al enkele maanden geen bijstandsuitkering heeft ontvangen en ook geen andere inkomstenbronnen heeft. Hij heeft inmiddels een huurachterstand. Zijn kinderen helpen hem financieel met de huurachterstand zodat hij de woning kan behouden.
4.2.
Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van spoedeisend belang omdat er niet gebleken is van een financiële noodsituatie. Verzoeker heeft in het onderzoek naar de rechtmatigheid van de bijstand eerder verklaard dat hij grote contante bedragen heeft opgenomen en dat zijn dochter voor hem spaart. Daarnaast heeft verzoeker op 13 oktober 2025 een nieuwe bijstandsaanvraag gedaan, welke nog in behandeling is.
4.3.
Uit de overgelegde bankafschriften is niet gebleken dat verzoeker momenteel een inkomen heeft. Gelet daarop is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van spoedeisend belang omdat aannemelijk is dat verzoeker niet kan voorzien in zijn levensonderhoud. Blijkens het verslag van het tweede verhoor op 1 oktober 2025 (pagina 39 van de rapportage) heeft verzoeker weliswaar verklaard dat hij soms contant geld geeft aan zijn dochter om voor hem te kunnen sparen maar hij heeft daarbij ook verklaard dat het voor bijvoorbeeld zijn begrafenis was. Daaruit kan niet geconcludeerd worden dat verzoeker momenteel voldoende vermogen heeft in de vorm van spaargeld bij de dochter. Dat verzoeker regelmatig contant geld opnam betekent niet dat hij daarmee thans in de kosten van levensonderhoud kan voorzien. Verder is van belang dat het college ter zitting desgevraagd heeft verklaard dat het niet waarschijnlijk is dat verzoeker een voorschot op de bijstandsaanvraag zal ontvangen voor de uiterlijke uitspraakdatum van 18 november 2025.
4.4.
Voor wat betreft de terugvordering is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen spoedeisend belang. In het bestreden besluit is vermeld dat verzoeker binnen zes weken moet terugbetalen, maar verzoeker kan om een betalingsregeling vragen. In het kader van deze procedure zal de voorzieningenrechter dan ook alleen de intrekking van verzoekers bijstandsuitkering beoordelen.
5. Het college heeft de intrekking niet beperkt tot een bepaalde datum en daarom is de te beoordelen periode 1 maart 2025 (datum intrekking) tot en met 9 oktober 2025 (datum bestreden besluit).
5.1.
Verzoeker stelt dat geen sprake was van verplaatsing van zijn hoofdverblijf, maar dat hij sinds maart 2025 tijdelijk bij zijn familie (dochter en schoondochters) heeft verbleven vanwege zijn mentale klachten. Sinds september 2025 gaat het beter en woont hij weer op het uitkeringsadres. Verzoeker voert met verwijzing naar uitspraken van de Centrale Raad van Beroep [1] dat vanwege het tijdelijk verblijf bij zijn familie geen sprake is van schending van de inlichtingenverplichting. Ter zitting heeft verzoeker toegelicht dat hij weliswaar elders sliep en at, maar dat hij wel regelmatig nog in de woning op het uitkeringsadres kwam (bijvoorbeeld als zijn dochter naar haar werk was). Hij heeft zijn hoofdverblijf slechts tijdelijk verplaatst naar de woningen van zijn dochter en schoondochters. Verzoeker heeft daarnaast desgevraagd verklaard dat hij niet onder behandeling was voor zijn psychische klachten. Zijn dochter zag echter dat het achteruitging met zijn gezondheid en heeft hem toen gevraagd om bij haar te verblijven om hem in de gaten te houden.
5.2.
Verzoeker kan niet met succes een beroep doen op de uitspraken waar hij naar heeft verwezen. Van belang is dat het tijdelijk verblijf bij zijn familie niet verband houdt met het tijdelijk niet of niet goed kunnen bewonen van de eigen woning. Er was geen sprake van een verbouwing, renovatie of woningsluiting. Verder kan een verblijf van bijna zes maanden (maart 2025 – sept 2025) niet meer als tijdelijk gezien worden. De genoemde uitspraken van de Centrale Raad van Beroep zien derhalve niet op de situatie van verzoeker.
Los daarvan is niet gebleken dat de psychische klachten dusdanig ernstig waren dat hij daardoor niet meer alleen kon wonen. Overigens heeft verzoeker ook niet aannemelijk gemaakt dat hij vanaf september 2025 zijn hoofdverblijf weer heeft verplaatst naar het uitkeringsadres. Dat hij vanaf september 2025 weer vaker heeft gepind in Delft, is onvoldoende bewijs daarvoor. Temeer nu hij tijdens het verhoor op 1 oktober 2025 heeft verklaard dat hij nog steeds veel dagen in de maand september 2025 bij zijn dochter en schoondochters heeft geslapen.
5.3.
Gelet op wat onder 5.2. is overwogen is het college terecht tot de conclusie gekomen dat verzoeker de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden.
6. Verzoeker heeft subsidiair aangevoerd dat de intrekking onrechtmatig is omdat 8 weken na de opschorting vanaf 29 juli 2025 (besluit 14 augustus 2025) de uitkering weer betaalbaar gesteld had moeten worden.
6.1.
De voorzieningenrechter bespreekt de opschorting niet nu niet is gebleken dat verzoeker bezwaar heeft gemaakt tegen de opschorting. De connexiteit die vereist is bij een verzoek om voorlopige voorziening ontbreekt daardoor. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter op dat de opschorting inmiddels is ingehaald door het bestreden besluit. Verder blijkt uit de grondslag van het bestreden besluit dat de intrekking niet is gebaseerd op artikel 54, vierde lid, van de Pw (intrekking na opschorting) maar artikel 54, derde lid, van de Pw (intrekking vanwege schending van de inlichtingenplicht).
Belangenafweging
7. Tot slot is voorzieningenrechter van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij op dit moment in een zodanige penibele financiële situatie verkeert dat het treffen van een voorlopige voorziening op grond van enkel een belangenafweging aangewezen is.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de voorzieningenrechter geen voorlopige voorziening zal treffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 november 2025.
De griffier is verhinderd te tekenen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.30 juni 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2117 en 15 november 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:2836