ECLI:NL:RBDHA:2025:22153
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstand wegens schending inlichtingenplicht
Verzoeker ontving sinds 2001 met enkele onderbrekingen een bijstandsuitkering. Het college van burgemeester en wethouders van Delft trok de uitkering per 1 maart 2025 in en vorderde terugbetaling van te veel ontvangen bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht. Uit onderzoek bleek dat verzoeker sinds 1 maart 2025 niet zijn hoofdverblijf had op het uitkeringsadres.
Verzoeker stelde dat hij tijdelijk bij familie verbleef vanwege mentale klachten en dat dit geen schending van de inlichtingenplicht opleverde. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het verblijf van bijna zes maanden niet als tijdelijk kon worden beschouwd en dat verzoeker onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij sinds september 2025 weer op het uitkeringsadres verbleef.
Hoewel sprake was van spoedeisend belang vanwege het ontbreken van inkomsten en het risico op verlies van woning, vond de voorzieningenrechter dat het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen had. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De beslissing bindt niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.