ECLI:NL:RBDHA:2025:22321

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
26 november 2025
Zaaknummer
SGR 25/6462
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen het niet tijdig beslissen door het Uwv in een medische herbeoordelingszaak

In deze zaak heeft Stichting Zorggroep Oldael beroep ingesteld tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) wegens het niet tijdig beslissen op een herbeoordelingsverzoek van een WIA-uitkering. Eiseres heeft op 8 april 2024 verzocht om een herbeoordeling van het recht van haar (ex-)werknemer op een WIA-uitkering. Na het uitblijven van een beslissing heeft eiseres op 18 september 2025 beroep ingesteld. De rechtbank heeft vastgesteld dat de termijn voor het Uwv om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. De rechtbank oordeelt dat het Uwv binnen negen weken na de uitspraak een besluit moet nemen. Tevens is er een dwangsom van € 100,- per dag opgelegd voor elke dag dat de beslistermijn wordt overschreden, met een maximum van € 15.000,-. De rechtbank heeft het Uwv ook veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten aan eiseres. De uitspraak is gedaan zonder zitting, omdat het beroep kennelijk gegrond is. De rechtbank heeft in haar overwegingen rekening gehouden met de drukte en het tekort aan verzekeringsartsen bij het Uwv, wat heeft geleid tot het uitblijven van een beslissing.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/6462

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 november 2025 in de zaak tussen

Stichting Zorggroep Oldael, uit Den Haag, eiseres

(gemachtigde: C.I. Nouse),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,het Uwv (gemachtigde: mr. J.S. de Vreeze).

Inleiding

1.1.
Op 8 april 2024 heeft eiseres verzocht om een herbeoordeling van het recht van haar (ex-)werknemer op een WIA-uitkering.
1.2.
Eiseres heeft op 18 september 2025 beroep ingesteld wegens het uitblijven van een beslissing op het herbeoordelingsverzoek.
1.3.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
1.4.
Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. Artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de termijn om te beslissen op het herbeoordelingsverzoek is overschreden. Eiseres heeft het Uwv op 14 oktober 2024 in gebreke gesteld en sinds de ontvangst daarvan door het Uwv op 17 oktober 2024 zijn meer dan twee weken verstreken. Niet is gebleken dat het Uwv alsnog heeft beslist op het herbeoordelingsverzoek. Het beroep is daarom gegrond.
3. Het Uwv heeft op 16 december 2024 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiseres een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
4. Omdat het Uwv nog geen (nieuw) besluit heeft genomen, zal de rechtbank bepalen dat het Uwv dit alsnog moet doen. Op grond van artikel 8:55d, eerste lid, van de Awb moet het Uwv dit doen binnen twee weken na het verzenden van deze uitspraak. In bijzondere gevallen kan de rechtbank op grond van het derde lid een andere termijn geven of een andere voorziening treffen.
4.2.
Eiseres heeft de rechtbank verzocht om het Uwv op te dragen zo spoedig mogelijk een beslissing te nemen.
4.3.
Het Uwv heeft in het verweerschrift toegelicht dat de beslistermijn is overschreden door drukte en een tekort aan verzekeringsartsen.
4.4.
De rechtbank is van oordeel dat in dit soort zaken waarin het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 8:55d, derde lid, van de Awb. De rechtbank verwijst hierbij naar de overwegingen in haar uitspraak van 27 februari 2025. [1] In het kort komt het erop neer dat de rechtbank bij haar oordeel dat sprake is van een bijzonder geval met name gewicht heeft toegekend aan de omstandigheid dat het gaat om het uitblijven van een beslissing waarbij een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is en dat al geruime tijd sprake is van tekorten aan verzekeringsartsen bij het Uwv waardoor beslistermijnen structureel niet kunnen worden gehaald.
4.5.
In twee uitspraken van 31 maart 2025 heeft de rechtbank bepaald dat in beroepen tegen het uitblijven van beslissingen van het Uwv waarin een medisch advies van een verzekeringsarts nodig is, het Uwv in beginsel een termijn van zes weken na de datum van verzending van de uitspraak wordt gegeven om een medische beoordeling te verrichten, bijvoorbeeld een spreekuurcontact (al dan niet telefonisch), een hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of dossieronderzoek door een verzekeringsarts zonder spreekuurcontact. Vervolgens wordt het Uwv een termijn van drie weken na het moment van de medische beoordeling gegeven om een beslissing te nemen. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van de uitspraak. [2]
4.6.
Indien het Uwv blijkens de dossierstukken of het verweerschrift ten tijde van de uitspraak de medische beoordeling al op een spreekuurcontact, hoorzitting in aanwezigheid van een verzekeringsarts of voor dossieronderzoek heeft gepland op een bepaalde datum, dan geldt dat de termijn van negen weken na de dag van verzending van de uitspraak wordt bekort, waarbij rekening wordt gehouden met de al geplande datum voor het medisch onderzoek. Het Uwv krijgt in ieder geval de wettelijke termijn van minimaal twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om het besluit bekend te maken. Bijzondere feiten en omstandigheden in het individuele geval kunnen aanleiding zijn om van deze termijnen af te wijken. Het is dan aan de partijen om bijzondere feiten en omstandigheden met betrekking tot de individuele situatie aan te voeren, die zouden moeten leiden tot verkorting dan wel verlenging van deze termijnen. [3]
5. In dit beroep heeft het Uwv in het verweerschrift aangegeven dat de afdeling SMZ verzocht is het dossier met spoed op te pakken. De rechtbank begrijpt hieruit dat de medische beoordeling nog niet heeft plaatsgevonden of op een concrete datum is gepland. Dit betekent dat het Uwv binnen zes weken na de dag van verzending van de uitspraak de medische beoordeling door een verzekeringsarts moet laten verrichten en dat het binnen drie weken na die medische beoordeling een besluit bekend moet maken, maar in ieder geval binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak.
6. Eiseres heeft de rechtbank niet verzocht om een gerechtelijke dwangsom op te leggen. Toch ziet de rechtbank hiervoor aanleiding, omdat eiseres al meer dan anderhalf jaar wacht op een besluit. Een dwangsom van € 100,- per dag met een maximum van € 15.000,- is in overeenstemming met het landelijke beleid van de rechtbanken hierover. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om in dit geval van dit beleid af te wijken. De rechtbank zal daarom bepalen dat het Uwv een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn – zoals bepaald in deze uitspraak – nu nog wordt overschreden. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-.
7. Omdat het beroep gegrond is, moet het Uwv het door eiseres betaalde griffierecht vergoeden.
8. De rechtbank veroordeelt het Uwv in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt het Uwv op om uiterlijk binnen negen weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat het Uwv aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee het de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,- ;
  • bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden.
  • veroordeelt het Uwv tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.J. Bronsveld, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.ECLI:NL:RBDHA:2025:2966, r.o. 4.4 en 4.5.
3.De uitspraken van de rechtbank Den Haag van 31 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:5451, r.o. 5.3 en 5.4 en ECLI:NL:RBDHA:2025:5452, r.o. 5.3 en 5.4.
4.https://www.rechtspraak.nl/Onderwerpen/Overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/Paginas/extra-dwangsom.aspx