ECLI:NL:RBDHA:2025:22352

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
27 november 2025
Zaaknummer
25-7547
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening omgevingsvergunning voor nieuwbouw in beschermd stadsgezicht Den Haag

Op 27 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een zaak betreffende een omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw gebouw op een perceel in Den Haag. De vergunning betreft de oprichting van een gebouw met commerciële ruimte, horeca, kantoor en hotel, en is aangevraagd door de vergunninghoudster, C.V. Light House. De Stichting SOS Den Haag, verzoekster in deze procedure, heeft een voorlopige voorziening gevraagd omdat zij vreest dat de nieuwbouw afbreuk zal doen aan het beschermd stadsgezicht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen, oordelend dat het college van burgemeester en wethouders zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de nieuwbouw niet zal leiden tot een afbreuk van de kwaliteiten van het beschermd stadsgezicht. Hoewel de voorzieningenrechter een onjuistheid constateert met betrekking tot de parkeerplaatsen, is dit gebrek niet voldoende om het besluit te schorsen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de vergunninghouder gebruik mag maken van de omgevingsvergunning om het gebouw te bouwen. De uitspraak benadrukt de noodzaak van een zorgvuldige afweging van belangen bij het verlenen van omgevingsvergunningen in gebieden met een beschermd stadsgezicht.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7547

uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 november 2025 in de zaak tussen

Stichting SOS Den Haag, uit Den Haag, verzoekster

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. S.J.C. Hocks).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
C.V. Light House, te Amstelveen (vergunninghoudster).
(gemachtigde: mr. F.J.C. van Altena)

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het perceel [perceel] te Den Haag. Op dat perceel is het bestaande gebouw gesloopt en komt een nieuw gebouw voor onder meer een commerciële ruimte, een horeca ruimte, een kantoor en een hotel. Verzoekster is het hier niet mee eens. Verzoekster vreest dat dit nieuwe gebouw afbreuk zal doen aan het beschermd stadsgezicht ‘ [stadsgezicht] ’. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. De voorzieningenrechter komt tot het voorlopig oordeel dat het college zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat het gebouw niet zal leiden tot een afbreuk van de kwaliteiten die worden beschermd in het beschermd stadsgezicht ‘ [stadsgezicht] ’. Wel constateert de voorzieningenrechter een onjuistheid met betrekking tot vier parkeerplaatsen van het gebouw die liggen aan de [straatnaam 1] , maar omdat dit gebrek kan worden hersteld ziet de voorzieningenrechter geen reden om het besluit te schorsen. Dat betekent dat de vergunninghouder gebruik mag maken van de omgevingsvergunning om het gebouw te bouwen.

Procesverloop

2. Het college heeft in het besluit van 16 september 2025 (het bestreden besluit) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een gebouw met een commerciële ruimte, een horeca ruimte en de entree voor de bovengelegen verdiepingen op de begane grond, een kantoor en hotel op de bovengelegen verdiepingen en een ondergrondse kelder voor parkeren en technische voorzieningen ter plaatse van het te slopen kantoor [perceel] te Den Haag.
2.1.
Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld (zaak SGR 25/7548) en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.2.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Vergunninghoudster heeft ook schriftelijk gereageerd. Verzoekster heeft nadere stukken overgelegd.
2.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] , namens verzoekster, de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 2] en [naam 3] en de gemachtigde van vergunninghoudster, vergezeld door [naam 4] en [naam 5] .

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
3.1.
De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.
Belanghebbendheid verzoekster
4. Vergunninghoudster heeft zich op het standpunt gesteld dat verzoekster niet als belanghebbende bij het bestreden besluit kan worden aangemerkt. Volgens vergunninghoudster is de statutaire doelstelling van verzoekster zodanig ruim dat deze niet kan gelden als toegesneden op het initiatief en zeker niet kan gelden als representatief voor (de inwoners van) de [wijk] .
4.1.
Blijkens artikel 3, eerste lid, van de Statuten van verzoekster zet zij zich in voor het behoud, de versterking en de reconstructie van het gewaardeerd stadsgezicht in het algemeen en dat van de stad Den Haag in het bijzonder. De feitelijke werkzaamheden van verzoekster bestaan onder meer uit het voeren van overleg met de gemeente Den Haag voor het tot stand komen van herinrichtingsplannen en beleidsnota’s op het gebied van verkeer, woningvoorraad, welstand en erfgoedbeleid. Verder is verzoekster in andere zaken zowel bij de rechtbank als de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) aangemerkt als belanghebbende in zaken over cultureel erfgoed in Den Haag [1] .
4.2.
De voorzieningenrechter is dan ook voorshands van oordeel dat verzoekster rechtstreeks wordt getroffen in een belang dat zij krachtens haar doelstelling en blijkens haar feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigt. De voorzieningenrechter vindt niet dat sprake is van een te ruime statutaire doelstelling. De verleende omgevingsvergunning ziet op de bouw van een gebouw binnen het beschermd stadsgezicht [stadsgezicht] . Deze activiteit raakt verzoekster in haar statutaire doelstelling van het behoud, de versterking en de reconstructie van gewaardeerd stadsgezicht van Den Haag. Dat betekent dat verzoekster naar voorlopig oordeel belanghebbende is bij het bestreden besluit.
Spoedeisend belang
5. Aangezien uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is gebleken dat vergunninghoudster de uitkomst van de bodemprocedure niet wil afwachten en zij zo spoedig mogelijk met de uitvoering van het bouwplan wil beginnen, is spoedeisend belang aanwezig.
Toetsingskader
6. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Nu de aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór
1 januari 2024, is in dit geval de Wabo nog van toepassing.
6.1.
Ter plaatse geldt het omgevingsplan gemeente Den Haag. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat onder meer uit het bestemmingsplan '' [bestemmingsplan 1] ''. Het bouwplan is voorzien op gronden waaraan in dit bestemmingsplan de bestemming ‘Kantoor’ en de dubbelbestemming ‘Waarde - Cultuurhistorie’ is toegekend.
6.2.
Ingevolge artikel 8.2, aanhef en onder a, van de planregels dient het bouwen binnen de bestemming ‘Waarde-Cultuurhistorie’ zodanig plaats te vinden dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de ten tijde van de tervisielegging van het ontwerpplan aanwezige kwaliteiten, zoals deze zijn beschreven in het besluit tot aanwijzing van het [stadsgezicht] als beschermd stadsgezicht d.d. 6 september 2003.
6.3.
Niet in geschil is dat het bouwplan niet past in de bouwregels als bedoeld in artikel 6.2.1 van het bestemmingsplan en in de doeleindenomschrijving die in de bestemming ‘Kantoor’ zijn opgenomen. Er kan alleen op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo medewerking worden verleend aan het bouwplan.
6.4.
De Adviescommissie omgevingskwaliteit en cultureel erfgoed Den Haag (AOC) heeft op 12 juni 2024 geconcludeerd dat het bouwplan het behoud en de bescherming van de cultuurhistorische waarden van het beschermd stadsgezicht ‘ [stadsgezicht] ’ voldoende in acht neemt.
Gronden
Sloopvergunning
7. Ter zitting heeft verzoekster aangegeven dat hetgeen zij heeft gesteld over de sloopvergunning slechts naar voren is gebracht ter illustratie van het gebrekkige proces dat aan de totstandkoming van het bestreden besluit vooraf is gegaan. Dit betreft geen beroepsgrond. De voorzieningenrechter zal dit aspect daarom niet bespreken.
PUK
8. Verzoekster voert aan dat in het Planuitwerkingskader (PUK) niet op juiste wijze is verbeeld welke bouwmogelijkheden het bestemmingsplan kent en op welke punten het bouwplan van het bestemmingsplan afwijkt.
8.1.
Zoals blijkt uit de uitspraken van de Afdeling van 30 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:942) en van deze rechtbank van 5 november 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:11064) is een PUK niet bindend en geen toetsingskader voor de aanvraag van een bouwplan. Deze grond slaagt daarom niet.
Waarde cultuurhistorie
9. Verzoekster voert aan dat het college een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid in artikel 8.3 van het bestemmingsplan.
9.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het college in het bestreden besluit geen toepassing heeft gegeven aan artikel 8.3 van het bestemmingsplan en op grond van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo van het bestemmingsplan is afgeweken. Deze grond slaagt dan ook niet.
10. Verzoekster voert verder aan dat het bouwplan sterk afwijkt van hetgeen het bestemmingsplan toelaat, omdat het gebouw groter is dan de bestaande bouwvlakken en de maximale bouwhoogte wordt overschreden. Het gebouw komt op korte afstand van de Bossloot te staan waardoor de achtertuin van het perceel verloren gaat. Het gebouw wordt ook veel hoger dan de omliggende gebouwen. Volgens verzoekster is niet langer sprake van een zachte overgang van groen naar de [straatnaam 2] . Het college heeft onvoldoende gemotiveerd waarom geen afbreuk wordt gedaan aan de kwaliteiten die in de aanwijzing tot beschermd stadsgezicht zijn opgenomen. Ook is de schaduwwerking ten onrechte niet aan de orde gekomen, aldus verzoekster.
10.1.
In het advies van de AOC van 12 juni 2024 heeft deze commissie positief geadviseerd over het bouwplan. Hierin is vermeld dat de commissie haar waardering uitspreekt voor het integrale ontwerp, waarin de architectuur en het (gebouwde) landschap zorgen voor een goede inpassing in de omgeving. Die omgeving is complex. De locatie bevindt zich in het beschermd stadsgezicht [stadsgezicht] op de overgang tussen het bos en de [wijk] , in een strook bebouwing die divers is. Het ontwerp reageert op elk van deze contexten. De nieuwe verbinding tussen de [straatnaam 2] en het bos is een waardevolle toevoeging. De verbinding vergroot de toegankelijkheid van het bos, maar is smal, zodat de bebouwing aan de [straatnaam 2] als begrenzing van het bos blijft werken. Aan die begrenzing draagt ook de oplossing voor de waterrand bij. Geen formele kade, maar een combinatie van steen en begroeiing, waarmee de informele overgang van de achterkant van de bebouwing naar de rand van het bos wordt begeleid. Deze oplossing kan goed de standaardoplossing worden. Het ontwerp van de brug wordt later separaat ter beoordeling aan de commissie voorgelegd. De hoofdvorm van het gebouw volgt het beeldkwaliteitsdocument. Deze hoofdvorm bestaat uit een ‘stedelijke laag’ die reageert op de buurpanden aan de even zijde van de [straatnaam 2] en daarboven, iets terug liggend van de gevel aan de [straatnaam 2] , een hoger bouwdeel. Dit hogere bouwdeel maakt zich los van de stedelijke laag door een insnoering van deels begroeide buitenruimtes. De twee bovenste verdiepingen zijn aan de weg- en de boszijde afgeschuind en vormen zo de beëindiging van het gebouw. De gevels bestaan uit horizontale banden die ogen als metselwerk tussen betonranden. Tussen deze banden bevinden zich glaspuien met een ritme van penanten. De penanten van de stedelijke laag verschillen subtiel van die van het hogere bouwdeel. De opzet met horizontale banden die de hoofdvorm volgen, benadrukken en in de publieke delen van het gebouw ook in het interieur doorlopen, is sterk. De banden geleden het gebouw en maken het een geheel. Gecombineerd met het reliëf van het ‘metselwerk’ in de banden ontstaat een verbinding met de diverse architectuur van de buurpanden. Het gebouw heeft een eigen gezicht en doet mee in de reeks van de [straatnaam 3] naar de [straatnaam 4] .
10.2.
In de reactie van de AOC van 7 november 2025 staat dat de bebouwingsstructuur in de strook aan de [straatnaam 2] ook met de grotere maat van de nieuwbouw intact blijft. De nieuwbouw heeft een eigen gezicht, staat iets los van de belendingen en introduceert een smalle verbinding tussen de [straatnaam 2] en het bos, zoals er meer informele verbindingen zijn. De nieuwbouw is fors groter, maar de rol van de bebouwingsstructuur als begrenzing en de opzet van de structuur als reeks zelfstandige gebouwen wijzigen niet.
10.3.
In het aanwijzingsbesluit van 22 mei 2003 wordt als sleutelbegrip voor de kwaliteit van het [stadsgezicht] / [straatnaam 3] / [straatnaam 5] genoemd het contrast tussen het groene, onbebouwde landelijke gebied enerzijds en de in toenemende mate verstedelijkende omgeving anderzijds. De contrastwerking tussen stedelijk gebied en [straatnaam 3] / [straatnaam 5] is te vinden in de aspecten openheid versus verdichting, rust versus stedelijke onrust, oud versus nieuw en de idyllische landelijke sfeer met herten temidden van de betrekkelijk nuchtere stadsomgeving. De kwaliteit van het gebied wordt tenslotte sterk verhoogd door de
monumentaliteit van het [stadsgezicht] / [straatnaam 5] / [straatnaam 3] als geheel en van het
[straatnaam 5] en de [straatnaam 3] afzonderlijk.
10.4.
Het college heeft zich naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat in het aanwijzingsbesluit de bebouwing aan de [straatnaam 2] weliswaar wordt genoemd, maar niet in nadere te beschermen waarden en de waardering. Anders dan verzoekster betoogt, betekent dit dat het aanwijzingsbesluit geen regels bevat dat de bebouwing niet mag veranderen. Evenmin bevat het aanwijzingsbesluit regels die gaan over het behoud van de tuinen aan de achterkant van de bebouwing aan de [straatnaam 2] of regels over schaduwwerking. Dat het gebouw groter wordt, op kortere afstand van de Bossloot komt te staan en meer schaduw werpt op het [stadsgezicht] , betekent naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet dat afbreuk wordt gedaan aan de te beschermen waarden van het stadsgezicht. De waarden die volgens het aanwijzingsbesluit moeten worden beschermd zien in het kort op het contrast tussen stedelijk gebied en het [stadsgezicht] . Het gaat erom dat de grens tussen groen en stad moet worden behouden. Gelet op het advies van de AOC van 12 juni 2024 en de reactie van de AOC van 7 november 2025, heeft het college naar het oordeel van de voorzieningenrechter afdoende gemotiveerd dat het bouwplan aan deze waarden geen afbreuk doet.
11. Verder stelt verzoekster dat niet is getoetst aan de drie algemene criteria van de Welstandsnota 2017, met name criterium B dat indien er sprake is van een bouwwerk in een beschermd stadsgezicht, het bouwwerk leidt tot behoud of versterking van de architectonische, stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden daarvan.
11.2.
Hiervoor is reeds overwogen dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de waarden van het beschermd stadsgezicht. Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voldoende gemotiveerd dat is voldaan aan criterium B van de algemene criteria van de Welstandsnota. Van het alleen noemen van criteria zoals in de uitspraken waarnaar verzoekster verwijst, is geen sprake. Deze grond slaagt dan ook niet.
Parkeren
12. Verzoekster voert ook aan dat de 4 parkeerplaatsen aan de [straatnaam 1] 186 op meer dan 800 meter van het bouwplan liggen, waarmee niet wordt voldaan aan de maximale loopafstand zoals genoemd in de Parkeernota.
12.1.
Op grond van artikel 5.1, onder a, van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ” moet – kort samengevat – worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Of sprake is van voldoende (fiets)parkeergelegenheid wordt op grond van artikel 5.1, onder b, van het bestemmingsplan bepaald aan de hand van de Nota Parkeernormen Den Haag (de Parkeernota). De nota zoals die geldt op het moment van indiening van de aanvraag om omgevingsvergunning worden toegepast. Dit volgt uit artikel 5.1, onder c, van de regels van het bestemmingsplan “ [bestemmingsplan 2] ”.
12.2.
Blijkens bijlage 6 van de Nota Parkeernormen Den Haag 2021, die gold ten tijde van het indienen van de aanvraag, bedraagt de maximale loopafstand in het Centrum naar alternatieve parkeervoorzieningen voor werknemers 800 meter en voor bezoekers 500 meter.
12.3.
Vergunninghoudster heeft op basis van een routebeschrijving willen aantonen dat de loopafstand vanaf het pand [adres 1] tot de [adres 2] niet meer is dan 800 meter. Zij heeft daartoe een kaart van 4 november 2025 overgelegd waarop de looproute is aangegeven.
12.4.
Op basis van de getoonde routebeschrijving kan naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet worden vastgesteld dat de loopafstand minder is dan 800 meter. Op de kaart van 4 november 2025 is de locatie van het adres [adres 1] onjuist aangegeven. Het adres [adres 1] is op die kaart ingetekend op de locatie waar zich in werkelijkheid het parkeerterrein bevindt dat vóór [huisnummer 1] ligt. De loopafstand naar [huisnummer 2] is daardoor circa 70 meter langer dan de op die kaart is weergegeven. Daarom is onvoldoende gemotiveerd dat aan de eis voor autoparkeren wordt voldaan. Dit is echter geen reden om tot schorsing van het bestreden besluit over te gaan, nu het college dit gebrek naar het oordeel van de voorzieningenrechter hangende beroep kan herstellen.
Hotelstop
13. Verzoekster betoogt verder dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom toch vergunning is verleend voor de hotelfunctie terwijl de raad een hotelstop heeft ingesteld.
13.1.
Het college heeft ter zitting toegelicht dat de hotelstop in april 2025 is beëindigd. Dit betekent dat ten tijde van het verlenen van de vergunning geen sprake meer was van de hotelstop, zodat geen sprake kan zijn van een strijdigheid op dit punt. Deze grond slaagt daarom niet.
Onderhoud brug
14. Ten aanzien van hetgeen verzoekster heeft gesteld over het onderhoud van de brug stelt de voorzieningenrechter vast dat deze brug geen deel uitmaakt van het bouwplan. Gebleken is dat de aanleg en het onderhoud van de brug privaatrechtelijk zijn geregeld. Deze grond kan daarom niet tot schorsing van het bestreden besluit leiden.

Conclusie en gevolgen

15. Wat verzoekster heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor de verwachting dat het bestreden besluit (dan wel de rechtsgevolgen daarvan) in de bodemprocedure niet in stand zal kunnen blijven. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Dat betekent dat het bestreden besluit niet langer is geschorst. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Schaaf, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank van 14 april 2020 (ECLI:NL:RBDHA:2020:6191) en van de Afdeling van 30 maart 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:942)