Eiser, een Oekraïense asielzoeker, diende op 24 september 2024 een asielaanvraag in die buiten behandeling werd gesteld omdat hij zich niet binnen de gestelde termijn meldde bij het aanmeldcentrum. Tevens werd een terugkeerbesluit uitgevaardigd om terugkeer naar Oekraïne af te dwingen.
Eiser betwistte de buitenbehandelingstelling en het terugkeerbesluit. Tijdens de zitting gaf hij aan dat zijn beroep niet langer tegen de buitenbehandelingstelling was gericht, maar uitsluitend tegen het terugkeerbesluit. Hij stelde dat de minister had moeten toetsen of terugkeer naar Oekraïne een reëel risico op schending van het non-refoulementbeginsel met zich meebrengt, gezien de gevaarlijke oorlogssituatie nabij zijn woonplaats.
De rechtbank oordeelde dat de minister verplicht is om in alle fasen van de terugkeerprocedure het non-refoulementbeginsel te respecteren, zoals bevestigd door het Hof van Justitie van de Europese Unie in het arrest Ararat. De minister had zonder diepgaand onderzoek moeten nagaan of er onmiskenbaar sprake was van een risico op refoulement, wat niet was gebeurd.
Daarom vernietigde de rechtbank het terugkeerbesluit wegens een motiveringsgebrek en legde de minister op een nieuw besluit te nemen rekening houdend met deze uitspraak. Het beroep tegen de buitenbehandelingstelling werd ongegrond verklaard. Eiser kreeg een proceskostenvergoeding van €1814 toegekend.