ECLI:NL:RBDHA:2025:2247

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 februari 2025
Publicatiedatum
18 februari 2025
Zaaknummer
NL25.4602
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen niet tijdig beslissen asielaanvraag met oplegging dwangsom

In deze bestuursrechtelijke zaak heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn asielaanvraag nadat de rechtbank eerder een beslistermijn van acht weken en een dwangsom aan de minister had opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat het beroep ontvankelijk is, ondanks dat de rechterlijke dwangsom uit de eerdere uitspraak nog niet volledig was verbeurd. Dit volgt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

De rechtbank stelt dat de minister binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak een besluit moet nemen op de asielaanvraag. Tevens wordt een nieuwe dwangsom van € 100,- per dag opgelegd, met een maximum van € 7.500,-, die aanvangt nadat de eerdere dwangsom volledig is volgelopen.

Daarnaast veroordeelt de rechtbank de minister in de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50. De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro omdat het beroep kennelijk gegrond is.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep gegrond, legt een termijn van vier weken op voor besluitvorming en een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.4602

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , V-nummer: [nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. T.M. van der Wal),
en

de Minister van Asiel en Migratie, de minister.

Inleiding

1. In een eerdere procedure (NL24.37427) heeft deze rechtbank en zittingsplaats, bij uitspraak van 29 november 2024 het beroep tegen het niet tijdig beslissen gegrond verklaard en daarbij aan de minister een beslistermijn van acht weken opgelegd. Daarbij is eveneens een dwangsom opgelegd van € 100,- voor elke dag dat de minister deze beslistermijn zou overschrijden, met een maximum van € 7.500,-
2. Op 30 januari 2025 heeft eiser opnieuw beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op de aanvraag. In deze uitspraak beslist de rechtbank op dat beroep.
3. Omdat het beroep kennelijk gegrond is, doet de rechtbank uitspraak zonder zitting.
Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.

Beoordeling door de rechtbank

4. In artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb is bepaald dat, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep, het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit wordt gelijkgesteld.
5. In artikel 6:12, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, is bepaald, dat een beroepschrift gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit kan worden ingediend, zodra het bestuursorgaan in gebreke is om op tijd een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken, nadat een schriftelijke ingebrekestelling door het bestuursorgaan is ontvangen.
6. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 maart 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:673), volgt dat een (nieuwe) ingebrekestelling niet is vereist, wanneer de bestuursrechter een termijn heeft gesteld en het bestuursorgaan zich, in weerwil van het gezag van deze rechterlijke uitspraak, daaraan niet houdt.
7. In de uitspraak van 29 november 2024 van deze rechtbank en zittingsplaats, heeft de rechtbank aan de minister een concrete beslistermijn van acht weken gegeven, waarbinnen zij het besluit bekend had moeten maken. De minister heeft hieraan niet voldaan. Echter, op het moment van indienen van het beroep van 30 januari 2025 was de aan de uitspraak van 29 november 2024 verbonden rechterlijke dwangsom van € 7.500,- nog niet volledig verbeurd. Dit zou betekenen dat het beroep prematuur is ingediend en het beroep niet-ontvankelijk is.
8. Echter, bij uitspraak van 27 november 2024 [1] heeft de Afdeling bepaald dat bij een opvolgend beroep tegen het niet tijdig beslissen nog steeds procesbelang bestaat als op het moment van het indienen van het opvolgende beroep de rechterlijke dwangsom van het voorgaande beroep nog niet volledig was volgelopen. Dit betekent dat een opvolgend beroep, ingediend op het moment dat de rechterlijke dwangsom uit het voorgaande beroep nog niet volledig was volgelopen, toch ontvankelijk is. Gelet hierop is in onderhavige zaak toch sprake van een ontvankelijk opvolgend beroep.
9. Het beroep is ontvankelijk en kennelijk gegrond.
10. Omdat het beroep gegrond is, zal de rechtbank, gelet op de jurisprudentie ter zake (ECLI:NL:RVS:2022:3352 en ECLI:NL:RVS:2022:3353) alleen een rechterlijke dwangsom opleggen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder b van de Awb bepalen dat de minister alsnog een besluit bekend dient te maken op de asielaanvraag van eiser. In de uitspraak van 8 juli 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:1560) heeft de Afdeling het 8+8-wekenmodel passend geacht.
11. De rechtbank is van oordeel dat in de gevallen waarin, zoals hier, de bovengrens van 21 maanden is overschreden in beginsel een kortere termijn dan volgens het 8+8-wekenmodel dient te worden gegeven om een beslissing te nemen op de asielaanvraag. Anderzijds blijft het van belang dat de beslissing op zorgvuldige wijze wordt genomen. De rechtbank zal daarom tot uitgangspunt nemen dat de minister in zo’n geval binnen acht weken op de asielaanvraag dient te beslissen. Bijzondere omstandigheden kunnen voor de rechtbank aanleiding zijn om van dit uitgangspunt af te wijken door de minister een andere termijn te geven. Op 6 en 7 mei 2024 heeft er met eiser een nader gehoor plaatsgevonden. De rechtbank acht het niet onmogelijk voor de minister om binnen vier weken op zorgvuldige wijze een besluit te nemen. De rechtbank acht de nadere termijn zodanig dat deze noch onnodig lang noch onrealistisch kort is. Dit betekent dat de minister binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een besluit op de aanvraag bekend moet maken.
12. Met toepassing van artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb bepaalt de rechtbank dat de minister opnieuw een (rechterlijke) dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de beslistermijn wordt overschreden door de minister. Daarbij geldt opnieuw een maximum van € 7.500,-.
13. Omdat de bij uitspraak van 29 november 2024 opgelegde rechterlijke dwangsom nog niet volledig is volgelopen, oordeelt de rechtbank dat de bij onderhavige uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt vanaf de dag nadat de eerder opgelegde rechterlijke dwangsom volledig is volgelopen. De bij uitspraak van 29 november 2024 opgelegde rechterlijke dwangsom is aangevangen op 25 januari 2025 en eindigt op 10 april 2025. Dit betekent dat de bij deze uitspraak op te leggen rechterlijke dwangsom aanvangt op 11 april 2025.

Conclusie en gevolgen

14. Het beroep is kennelijk gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt, de minister een termijn van vier weken krijgt om alsnog een besluit te nemen en aan de minister een dwangsom wordt opgelegd.
15. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
  • draagt de minister op binnen vier weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit op de aanvraag bekend te maken;
  • bepaalt dat de minister aan eiser met ingang van 11 april 2025 een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee zij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van J. Yedema, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.