De eiser heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag van 24 december 2023. De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is verstreken en dat de minister niet binnen de door eiser gestelde termijn van twee weken heeft beslist. Hierdoor is het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond.
De rechtbank verwijst naar het '8+8 wekenmodel' van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar oordeelt dat bij overschrijding van de bovengrens van 21 maanden een kortere beslistermijn passend is. Daarom moet de minister binnen vier weken na bekendmaking van deze uitspraak alsnog een besluit nemen.
Indien de minister deze termijn overschrijdt, is hij aan eiser een dwangsom van € 100 per dag verschuldigd, met een maximum van € 15.000. Tevens wordt de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak is gedaan door rechter F. Sijens en griffier A.W. Landman, zonder zitting, en is openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. Eiser kan binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.