ECLI:NL:RBDHA:2025:22824

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
NL25.6624
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van eiser tegen de afwijzing door de minister van Asiel en Migratie

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag, gedateerd 11 november 2025, wordt het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag gegrond verklaard. Eiser, een Somalische nationaliteit, had op 22 februari 2023 een asielaanvraag ingediend, die op 5 februari 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd afgewezen. De rechtbank oordeelt dat de minister zich ondeugdelijk gemotiveerd heeft op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de aanslag van Al-Shabaab in Mogadishu ongeloofwaardig zijn. De rechtbank stelt vast dat de enige tegenwerping die overeind blijft, is dat het niet goed te volgen is dat eiser op 15 juni 2022 in de avond de straat is opgegaan, maar deze tegenwerping is onvoldoende om het standpunt te dragen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op om binnen tien weken een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser, waarbij de minister ook de in beroep ingebrachte informatie van VluchtelingenWerk Nederland over de veiligheidssituatie in Mogadishu moet betrekken. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.6624

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]
gemachtigde: mr. H.C. van Asperen,
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 5 februari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, inhoudende dat eiser de Europese Unie binnen vier weken moet verlaten.
Eiser heeft op 11 februari 2025 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 13 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de tolk [naam]. Verweerder is, met bericht vooraf, niet op zitting verschenen.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiser is geboren op [geboortedatum] 1999 en heeft de Somalische nationaliteit. Hij heeft zijn asielaanvraag op 22 februari 2023 ingediend.
1.2.
Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergegeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser woonde in Somalië in het dorp Bu’aale. Daar is hij benaderd door een man van Al-Shabaab die hem wilde rekruteren. Eiser heeft om bedenktijd gevraagd en is vervolgens met hulp van zijn vader vertrokken naar Mogadishu, waar hij bij ‘verre familie’ kon verblijven. Tijdens zijn verblijf in Mogadishu heeft Al-Shabaab zijn ouderlijk huis in Bu’aale aangevallen en zijn oudste zus ontvoerd. Zijn vader is bij een poging om de zus vrij te krijgen vermoord. Vervolgens heeft eiser telefonische bedreigingen van Al-Shabaab ontvangen en kort daarna is er in Mogadishu een aanslag op zijn leven gepleegd door twee mannen van Al-Shabaab. Hierna is eiser Somalië ontvlucht. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al-Shabaab te worden vermoord.
Het bestreden besluit
2.1.
Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. problemen met Al-Shabaab in Bu’aale; en
3. aanval Al-Shabaab in Mogadishu.
2.2.
Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Ook de problemen met Al-Shabaab in Bu’aale acht verweerder geloofwaardig. De gestelde aanval van Al-Shabaab in Mogadishu acht verweerder echter ongeloofwaardig, omdat in dit verband niet is voldaan aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De geloofwaardig geachte elementen leveren volgens verweerder geen asielgrond op als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw, omdat op grond daarvan niet aannemelijk is dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag of bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Meer specifiek stelt verweerder in dit kader dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij nog interessant is voor Al-Shabaab. Verder stelt verweerder dat eiser kan terugkeren naar Mogadishu en zijn verblijf bij zij familie daar kan voortzetten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw.
Het oordeel van de rechtbank
3. De rechtbank toetst het bestreden besluit aan de hand van de beroepsgronden die eiser daartegen heeft aangevoerd
Problemen met Al-Shabaab in Bu’aale
4.1.
Verweerder heeft het (tweede) element ‘problemen met Al-Shabaab in Bu’aale’ geloofwaardig geacht. Eiser heeft over de situatie in Bu’aale onder meer verklaard dat, kort nadat hij daar was vertrokken, zijn zus daar is ontvoerd en zijn vader daar om het leven is gebracht door Al-Shabaab. Niet helemaal duidelijk is of verweerder de ontvoering van eisers zus en de moord op eisers vader in Bu’aale (als onderdeel van het tweede element) ook geloofwaardig heeft geacht. De rechtbank overweegt hierover als volgt.
4.2.
Verweerder heeft in het voornemen (onder meer) de ontvoering van eisers zus en de vermissing van eisers vader als redenen genoemd waarom niet te volgen is dat eiser op 15 juni 2022 in de avond de straat is opgegaan in Mogadishu (zie pagina 4, eerste alinea, van het voornemen). Gelet op (de bewoordingen van) deze overweging in het voornemen, nu verweerder het tweede element geloofwaardig heeft geacht en nu verweerder nergens in het voornemen uitdrukkelijk heeft gesteld dat hij de ontvoering van de zus en de vermissing/dood van eisers vader niet geloofwaardig acht, moet het er naar het oordeel van de rechtbank voor worden gehouden dat verweerder de ontvoering van eisers zus en de dood van eisers vader in het voornemen geloofwaardig heeft bevonden (vgl. de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 31 augustus 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR6660, 31 juli 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2052, en 11 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:755). In het bestreden besluit heeft verweerder vermeld dat de inhoud van het voornemen deel uitmaakt van het besluit. Verder heeft verweerder in het bestreden besluit (op pagina 2), onder verwijzing naar het voornemen, herhaald dat eiser meerdere ernstige gebeurtenissen heeft meegemaakt en dat daarom niet te volgen is dat hij ’s avonds naar buiten is gegaan. Gelet hierop kan niet anders worden geoordeeld dan dat verweerder ook in het bestreden besluit (impliciet) het standpunt heeft ingenomen dat de ontvoering van eisers zus en de vermissing/dood van eisers vader geloofwaardig zijn. Verderop in het bestreden besluit (op pagina 4), en overigens als onderdeel van de overwegingen die gaan over de risico-inschatting en/of zwaarwegendheid, heeft verweerder echter gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn vader is overleden en dat zijn zus is ontvoerd. Dit standpunt van verweerder moet tegenstrijdig worden geacht met zijn eerder in het bestreden besluit (impliciet) ingenomen standpunt dat de ontvoering van de zus en vermissing/dood van de vader geloofwaardig zijn.
4.3.
Voor zover verweerder zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat de ontvoering van eisers zus en de vermissing/dood van eisers vader ongeloofwaardig zijn, geldt dat dit standpunt, vanwege tegenstrijdigheid met een ander (eerder) standpunt in het bestreden besluit, geen stand kan houden.
Aanval Al-Shabaab in Mogadishu
5.1.
Verweerder heeft de aanval op eiser door Al-Shabaab in Mogadishu ongeloofwaardig geacht, omdat de verklaringen van eiser hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, zoals bedoeld in artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Verweerder heeft hiervoor in het voornemen meerdere argumenten gegeven. Sommige van die argumenten heeft verweerder echter zelf als ‘niet dragend’ aangemerkt of in het bestreden besluit laten vallen. De rechtbank gaat hierna, onder 5.2 en 5.3, eerst in op de argumenten die verweerder als ‘niet dragend’ heeft aangemerkt of niet heeft gehandhaafd. Daarna gaat de rechtbank in op de wel dragende en gehandhaafde argumenten (onder 5.4. tot en met 5.8.) en beantwoordt zij de vraag of die verweerders standpunt dat de aanval door Al-Shabaab in Mogadishu ongeloofwaardig is, kunnen dragen (onder 5.9).
5.2.
Verweerder heeft in het voornemen opgemerkt dat eisers verklaring dat hij om 21.30 uur naar de markt is gegaan opmerkelijk is, omdat uit op internet opgezochte informatie blijkt dat de (meeste) markten in Mogadishu dan gesloten zijn. In het voornemen heeft verweerder echter ook opgemerkt dat dit niet wordt meegenomen als dragend argument. In het bestreden besluit is verweerder hierop niet teruggekomen. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat verweerder dit argument niet aan zijn geloofwaardigheidsbeoordeling ten grondslag heeft gelegd. Dit argument kan daarom verder (inhoudelijk) onbesproken blijven.
5.3.
Verder heeft verweerder in het voornemen gesteld dat eiser inconsistent heeft verklaard over wie er op hem heeft geschoten. In het bestreden besluit heeft verweerder, in reactie op eisers zienswijze, vermeld dat er geen inconsistentie kan worden opgemerkt ten aanzien van de personen die op eiser zouden hebben geschoten, maar dat van eiser wel mag worden verwacht dat hij meer inzicht verschaft in het schietincident. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder zijn argument dat eiser inconsistent heeft verklaard over wie er heeft geschoten in het bestreden besluit niet heeft gehandhaafd en niet meer ten grondslag heeft gelegd aan zijn geloofwaardigheidsbeoordeling. Ook dit argument kan daarom verder onbesproken blijven. Het (wel in het bestreden besluit gehandhaafde) argument dat eiser te weinig inzicht heeft verschaft in het schietincident, komt verderop (onder 5.7.) in deze uitspraak aan bod.
5.4.
Hierna gaat de rechtbank in op de argumenten die verweerder voor zijn geloofwaardigheidsbeoordeling wel dragend acht en in het bestreden besluit heeft gehandhaafd.
5.5.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld en aan eiser tegengeworpen dat zijn handelen op de avond van de aanslag door Al-Shabaab in Mogadishu niet past bij de door hem gestelde gebeurtenissen en zijn daaraan ontleende vrees voor Al-Shabaab. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte op dit standpunt gesteld. Eiser heeft verklaard dat hij na zijn vertrek uit Bu’aale in paniek en bang was (p. 17 NG), dat zijn familie in Mogadishu hem heeft aangeraden binnen te blijven omdat Al-Shabaab ook actief is in Mogadishu (p. 19 NG), dat hij in Mogadishu ook niet vaak naar buiten ging en, zo wel, alleen overdag (p. 19 NG), dat hij van zijn vrouw heeft vernomen dat zijn zus is ontvoerd en zijn vader vermist is (p. 20 NG) en dat hij telefonisch is benaderd door Al-Shabaab met eerst de mededeling dat zij weten dat hij in Mogadishu verblijft en daarna de mededeling dat hij de doodstraf krijgt (p. 21-22 NG). Gelet op deze verklaringen van eiser over de gebeurtenissen en zijn vrees is, zoals verweerder niet ten onrechte stelt, niet goed te volgen dat eiser toch op 15 juni 2022 in de avond de straat in Mogadishu opgaat en daarmee risico’s voor zijn eigen veiligheid neemt. De verklaring van eiser dat hij zich die avond slecht voelde en medicijnen wilde halen bij de apotheek en dat hij zich bezwaard voelde om de familie te wekken en te vragen medicijnen voor hem te gaan halen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte onvoldoende bevredigend geacht. Gezien het voorgaande houdt deze tegenwerping stand.
5.6.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser inconsistent heeft verklaard over de (al dan niet aanwezigheid van een) auto in de straat waar de aanslag plaatsvond. Meer concreet gaat het verweerder erom dat eiser in zijn vrije relaas (p. 8 NG) en later tijdens het gehoor (p. 22 NG) heeft verteld over een auto, terwijl hij nog weer verderop in het gehoor heeft gezegd dat er geen auto was (p. 23 NG). Wat verweerder stelt is op zichzelf feitelijk juist; eiser heeft tijdens het gehoor eerst twee keer gesproken over de aanwezigheid van een auto, terwijl hij daarna heeft verklaard dat er geen auto was. Maar verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank niet onderkend dat eiser deze kwestie over de auto tijdens het gehoor al voldoende heeft opgehelderd. Eiser heeft tijdens het gehoor namelijk uitgelegd dat hij niet heeft gezegd – althans heeft bedoeld te zeggen – dat er een ‘auto’ was maar dat er een ‘autoweg’ was (p. 23 NG). Deze correctie van eiser tijdens het gehoor volgde niet op een confronterende vraag van de gehoormedewerker maar op een open vraag om de auto te beschrijven. Pas op dat moment besefte eiser dat hij zich eerder niet goed had uitgedrukt en heeft hij uitgelegd wat het wel moest zijn (namelijk: ‘autoweg’). De gehoormedewerker heeft hier verder ook geen punt van gemaakt, hetgeen een sterke indicatie is dat in ieder geval de gehoormedewerker deze correctie acceptabel vond. Dat vindt de rechtbank, gelet op voormelde gang van zaken tijdens het gehoor, ook en daarbij betrekt zij dat de woorden/begrippen ‘auto’ en ‘autoweg’ niet al te ver uit elkaar liggen, zodat het allerminst onwaarschijnlijk is dat er sprake is geweest van een ‘gewoon’ verklaringsfoutje van eiser of eventueel een vertalingsfoutje door de tolk. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd dat eisers verklaringen omtrent de auto een tegenwerping in het kader van de geloofwaardigheidsbeoordeling rechtvaardigen. Deze tegenwerping, zoals die is gemotiveerd in het bestreden besluit, houdt daarom geen stand.
5.7.
Verweerder heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiser over de aanval in Mogadishu veel minder gedetailleerd en persoonlijk zijn dan zijn verklaringen over wat er in Bu’aale is gebeurd. Volgens verweerder zijn de verklaringen van eiser over de aanval in Mogadishu te algemeen en te weinig gedetailleerd. De rechtbank overweegt als volgt. Tijdens het nader gehoor heeft eiser verklaard dat hij in de avond van 15 juni 2022 naar de markt Souch Buulo Hubey ging om medicijnen te halen, dat hij op de terugweg rond 21:30 uur werd aangevallen door twee mannen en dat de man die voor hem stond eiser gelijk onder schot hield. Verder heeft eiser verklaard dat de man de trekker overhaalde maar dat het pistool niet afging, dat de andere man zei “schiet hem dood” en dat de man die hem eerder onder schot hield eiser begon te slaan met het pistool. Ook heeft eiser verklaard dat hij wegrende, dat de andere man een kogel afvuurde en dat omstanders naar buiten kwamen om te kijken wat er aan de hand was en hem naar huis hebben gebracht. Volgens eiser heeft het incident bij elkaar ongeveer twee minuten geduurd.
Verweerder heeft in het voornemen noch in het bestreden besluit concreet gemotiveerd welke van de hierboven genoemde verklaringen van eiser te algemeen, te weinig gedetailleerd of te onpersoonlijk is/zijn, laat staan waarom. Verweerder noemt slechts dát de verklaringen te algemeen en te weinig gedetailleerd zijn, maar licht dit verder niet concreet toe, bijvoorbeeld aan de hand van een of meerdere voorbeelden. Ook maakt hij niet duidelijk waarover eiser dan meer details had moeten verstrekken. Verweerder heeft in dit verband ook genoemd dat de verklaringen op onderdelen inconsistent zijn, maar die inconsistenties heeft verweerder al in separate tegenwerpingen (zie onder 5.3. en 5.6.) gegoten. Gelet op het voorgaande heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank ondeugdelijk gemotiveerd dat eisers verklaringen over de aanval in Mogadishu te algemeen, te weinig gedetailleerd en te onpersoonlijk zijn. Deze tegenwerping, zoals die is gemotiveerd in het bestreden besluit, houdt dus evenmin stand.
5.8.
In het voornemen heeft verweerder verder nog vermeld dat hij opvallend vaak wordt geconfronteerd met verklaringen over Al-Shabaab waarbij een wapen weigert. Voor zover verweerder deze tegenwerping in het bestreden besluit heeft gehandhaafd, overweegt de rechtbank dat verweerder zijn standpunt helemaal niet heeft geconcretiseerd en onderbouwd. Reeds hierom kan ook die tegenwerping geen stand houden.
5.9.
Uit het voorgaande volgt dat enkel de tegenwerping dat niet goed te volgen is dat eiser op 15 juni 2022 in de avond de straat is opgegaan in Mogadishu, overeind blijft. Deze ene tegenwerping is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om het standpunt te kunnen dragen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Verweerder heeft zich dan ook ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw is voldaan. Nu verweerder slechts het niet voldoen aan deze voorwaarde heeft tegengeworpen, is de slotsom dat verweerder zich in het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over de aanslag van Al-Shabaab in Mogadishu ongeloofwaardig zijn.
Risico op ernstige schade bij terugkeer
6.1.
Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer naar Somalië een ernstig risico loopt op ernstige schade. Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Al-Shabaab geïnteresseerd in hem is (zie 6.2), dat uit landeninformatie blijkt dat de geweldsdaden van Al-Shabaab niet specifiek gericht zijn tegen burgers zoals eiser (zie 6.3) en dat van eiser kan worden verwacht dat hij zich bij zijn familie in Mogadishu vestigt (zie 6.4).
6.2.
Over het standpunt van verweerder dat erop neerkomt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (nog) in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab staat, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft bij dit standpunt alleen de door hem geloofwaardig geachte problemen met Al-Shabaab in Bu’aale betrokken. Bij dit standpunt heeft verweerder niet betrokken eisers verklaringen over de ontvoering van zijn zus, de vermissing/dood van zijn vader en de aanval van Al-Shabaab in Mogadishu omdat verweerder die niet geloofwaardig heeft geacht. Nu hiervoor evenwel is geoordeeld dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat deze gebeurtenissen ongeloofwaardig zijn (4.3. en 5.9.), heeft verweerder, in het verlengde daarvan, ook ondeugdelijk gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve belangstelling van Al-Shabaab staat.
6.3.
Over het standpunt van verweerder dat de geweldsdaden van Al-Shabaab niet specifiek zijn gericht tegen burgers zoals eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder heeft dit standpunt gebaseerd op de informatie op pagina 21 van het Algemeen ambtsbericht Somalië van juni 2023. Op die pagina van het ambtsbericht 2023 staat inderdaad, zoals verweerder heeft vermeld, dat de geweldsdaden van Al Shabaab niet specifiek gericht zijn tegen burgers (voor zover die niet behoorden tot een groep die door Al-Shabaab als een legitiem doelwit werd gezien, zoals overheidsfunctionarissen) en dat Al-Shabaab probeerde de aantallen burgerslachtoffers die bij haar aanvallen vielen te minimaliseren. Deze passage uit het ambtsbericht 2023 gaat naar het oordeel van de rechtbank echter vooral over de wijze waarop Al-Shabaab zijn algemene strijd (door middel van aanslagen) voert tegen de Somalische regering en niet zo zeer over de wijze waarop Al-Shabaab omgaat met burgers met wie er een individueel conflict bestaat. Deze door verweerder aangehaalde passage schetst naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet een volledig beeld van de geweldstoepassing door Al-Shabaab. De rechtbank verwijst in dit verband naar het Algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025, pagina’s 28 en 29, waarin is vermeld dat Al-Shabaab, naast aanslagen die niet specifiek zijn gericht op burgers, ook gericht geweld tegen burgers toepast, vaak omdat een burger zich niet aan de restricties of directieven van Al-Shabaab hield. Verweerder heeft dit in zijn besluitvorming niet onderkend en heeft zich dan ook ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers verklaring dat hij vreest voor represailles van Al-Shabaab in strijd is met landeninformatie. Voor zover verweerder verder stelt dat Mogadishu een miljoenenstad is en dat eiser daar moeilijk te vinden zal zijn, overweegt de rechtbank dat eiser terecht heeft aangevoerd dat uit het ambtsbericht 2023, pagina 18, volgt dat Al-Shabaab een aanzienlijk netwerk van leden en informanten in Mogadishu heeft. Verweerder heeft dit ten onrechte niet bij zijn besluit betrokken.
6.4.
Over de tegenwerping van Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief overweegt de rechtbank als volgt. Uit paragraaf C2/3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat een ander gebied (dan het herkomstgebied) in het land van herkomst voldoet als beschermingsalternatief als (a) het gaat om een gebied in het land van herkomst waar de vreemdeling geen risico loopt op vervolging of ernstige schade, (b) de vreemdeling op veilige en wettige wijze kan reizen naar en toegang kan verkrijgen tot dat gebied en (c) van de vreemdeling redelijkerwijs kan worden verwacht dat hij zich in dat deel van het land vestigt. Uit paragraaf C7/30.5.2 van de Vc volgt dat bij de beoordeling of er in Somalië een binnenlands beschermingsalternatief bestaat in ieder wordt betrokken (1) het eerder verblijf in het gebied buiten het gebied van herkomst en (2) de aanwezigheid van grootfamilie. Uit wat er hiervoor is overwogen volgt dat verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser in Mogadishu geen risico loopt op ernstige schade door Al-Shabaab en dat dus aan de ‘a-voorwaarde’ van paragraaf C2/3.4 van de Vc wordt voldaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder de reden, de duur en de omstandigheden van eisers eerdere verblijf in Mogadishu onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken (punt 1 van paragraaf C7/30.5.2 van de Vc). Eiser is naar Mogadishu vertrokken vanwege de, door verweerder geloofwaardig geachte, problemen die hij in Bu’aale had met Al-Shabaab. Zijn verblijf in Mogadishu berustte dus niet op een vrije keuze, maar was een gevolg van de problemen in Bu’aale. Dit is door verweerder niet kenbaar betrokken. Eiser heeft verder verklaard dat hij slechts 35-37 dagen in Mogadishu heeft verbleven (p. 18 NG) en dat hij in Mogadishu een groot deel van de tijd ondergedoken heeft gezeten (p. 8 NG). Ook deze omstandigheden zijn door verweerder niet voldoende betrokken. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval niet worden gesteld, zoals verweerder heeft gedaan, dat eiser in Mogadishu heeft “gewoond” (p. 4 besluit). Voorts is de rechtbank van oordeel dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij vindt dat de mensen bij wie eiser in Mogadishu heeft verbleven zijn aan te merken als grootfamilie (punt 2 van paragraaf C7/30.5.2 van de Vc). De rechtbank wijst er in dit verband op dat eiser tijdens het nader gehoor al heeft verklaard dat het “verre, verre familie” betreft (p. 8 NG) en dat het eigenlijk de stam van vaderskant is (p. 16 NG). Ter zitting heeft eiser, desgevraagd, nog eens uitgelegd dat het geen ‘echte’ familie is, maar mensen van de clan. In dit licht bezien heeft verweerder evenmin deugdelijk gemotiveerd waarom hij eiser niet volgt in zijn betoog dat die ‘familie’ hem niet langer/opnieuw wil helpen omdat zij zelf geen problemen willen. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat verweerder ondeugdelijk gemotiveerd Mogadishu als binnenlands beschermingsalternatief aan eiser heeft tegengeworpen.
6.5.
Gelet op het vorenstaande, in samenhang bezien, heeft verweerder zich ondeugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade door Al-Shabaab.
Conclusie
7. Het beroep is gelet op al het voorgaande gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen, omdat het in strijd met artikel 3:46 van de Awb is genomen.
8. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, nu verweerder, die geen verweerschrift heeft ingediend en niet op zitting is verschenen, in de beroepsfase geen toelichting heeft gegeven waarmee voormelde gebreken zijn hersteld. De rechtbank ziet ook geen mogelijkheid om zelf in de zaak te voorzien, omdat het aan verweerder is en blijft om de geloofwaardigheidsbeoordeling en risico-inschatting te maken en die deugdelijk te motiveren. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor het toepassen van een bestuurlijke lus, omdat dit, gelet op de aard van de gebreken, naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zal inhouden. De rechtbank zal verweerder dan ook opdragen om, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw besluit op de asielaanvraag te nemen. De rechtbank geeft verweerder hiervoor een termijn van tien weken. Indien verweerder voornemens is de asielaanvraag opnieuw af te wijzen, dient hij bij zijn nieuw te nemen besluit, naast de individuele omstandigheden van eiser, te betrekken de in beroep door eiser ingebrachte informatie van VluchtelingenWerk Nederland over de veiligheidssituatie in Mogadishu en het Algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025, op grond waarvan het landgebonden beleid voor Somalië is aangepast, in die zin dat thans wordt aangenomen dat er in Mogadishu sprake is van een ‘relatief lager niveau van willekeurig geweld’ (paragraaf C7/30.4.2 van de Vc).
9. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 907,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 5 februari 2025;
- draagt verweerder op binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.A. Groeneveld, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Bes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.