ECLI:NL:RBDHA:2025:22864

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25.56127
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel bewaring vreemdeling met psychische problemen

De minister heeft op 15 juli 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.

De rechtbank heeft eerder op 19 september 2025 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. In deze procedure stond centraal of het voortduren van de maatregel na 12 september 2025 nog rechtmatig is. Eiser stelde dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting naar Tunesië en dat hij vanwege een traumatische gebeurtenis psychische hulp nodig heeft die hij niet ontvangt.

De minister stelde dat eiser onvoldoende meewerkt aan het verkrijgen van een laissez-passer en dat de psychische problemen niet voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat er geen reden is om aan te nemen dat uitzetting binnen redelijke termijn niet mogelijk is en dat de minister voldoende voortvarend handelt. Ook is niet gebleken dat de psychische zorg in het detentiecentrum ontoereikend is.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56127

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. H. Postma),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 15 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025 op zitting behandeld. De gemachtigde van eiser is verschenen op de rechtbank in Groningen.. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 19 september 2025 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 12 september 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Wat vindt eiser?
4. Eiser is van mening dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting. De lp-aanvraag loopt nu zeven maanden, er is tien keer gerappelleerd, en eiser krijgt telefonisch geen contact met het consulaat. Ook is eiser van mening dat er een belangenafweging plaats had moeten vinden omdat hij een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt met een kamergenoot. Hiervoor krijgt hij geen psychische hulp.
Wat vindt de minister?
5. De minister stelt dat eiser niet voldoende medewerking verleent ten aanzien van het verkrijgen van een lp. Hierbij verwijst hij naar Afdelingsjurisprudentie. [3] Eiser zou juist tegenwerken door verschillend te verklaren tijdens gehoren. De bijzondere omstandigheden, te weten de psychische problemen door de traumatische gebeurtenis, zijn niet onderbouwd. Over het niet ontvangen van psychische hulp heeft eiser niet geklaagd bij de Commissie van Toezicht.
Oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Tunesië in het algemeen niet ontbreekt. [4] De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat voor eiser een lp-traject is opgestart en niet is gebleken dat de Tunesische autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor hem te zullen afgeven.
6.1.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure driemaal schriftelijk is gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten, en er twee vertrekgesprekken hebben plaatsgevonden.
6.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Bij psychische problemen kan eiser zich wenden tot de medische en psychische zorg in het detentiecentrum, en als dit ontoereikend is kan eiser hierover een klacht indienen. Niet is gebleken dat de zorg in het detentiecentrum ontoereikend is.

Conclusie

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL25.41509.
4.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:275).