ECLI:NL:RBDHA:2025:22939

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
NL25.15026
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag van Eritrese eiseres met medische zorgen voor haar zoon en vrees voor terugkeer naar Eritrea

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een Eritrese eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Eiseres, geboren in 1981, heeft op 25 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de minister op 26 maart 2025 als kennelijk ongegrond is afgewezen. De rechtbank behandelt het beroep op 2 juni 2025, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig zijn, evenals een tolk. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en vernietigt het besluit van de minister, omdat deze niet voldoende heeft onderbouwd dat de eiseres bij terugkeer naar Eritrea geen risico loopt op vervolging of ernstige schade. Eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege de medische situatie van haar zoon, die grotendeels blind is, en haar vrees voor mobilisatie en problemen door het verstrijken van haar visum, niet kan terugkeren. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de medische situatie van de zoon en de mogelijke risico's bij terugkeer. De rechtbank geeft de minister de opdracht om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten van eiseres vergoed.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.15026
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres,

en haar minderjarige kind, [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2021, V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. E.R. Weegenaar), en
de Minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. G. Cambier).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Eiseres is van Eritrese nationaliteit en geboren op [geboortedatum 2] 1981. Zij heeft op 25 februari 2023 een aanvraag tot het verlenen van een
verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 maart 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Op 7 april en 15 mei 2025 heeft zij gronden ingediend. De minister heeft op 28 mei 2025 een verweerschrift ingediend. Hierin heeft de minister aangegeven nadere informatie aan het bestreden besluit ten grondslag te willen leggen, te weten een niet-gepubliceerde schriftelijke toelichting van 28 april 2025 op het ambtsbericht van Eritrea van december 2023, en ter zake van die informatie een beroep op beperkte kennisname als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaan. Eiseres heeft op 30 mei 2025 een nader stuk ingediend.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 2 juni 2025, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening NL25.15027, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, T. Ogbamichael als tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft vervolgens het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening aangehouden in afwachting van de uitkomst van de procedure op grond van artikel 8:29 van de Awb.
1.3.
Op 2 juli 2025 heeft de minister dit verzoek echter ingetrokken, omdat de toelichting van 28 april 2025 inmiddels openbaar was geworden. Op 6 augustus 2025 heeft eiseres op de niet-gepubliceerde schriftelijke toelichting op het ambtsbericht van Eritrea van december 2023 gereageerd.
1.4.
Partijen hebben vervolgens te kennen gegeven in te stemmen met het achterwege laten van een nadere zitting.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres aan de hand van haar beroepsgronden. De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag ten grondslag dat zij Eritrea heeft verlaten vanwege de medische situatie van haar zoon, die grotendeels blind is. De benodigde medische zorg was in Eritrea niet beschikbaar en eiseres is geadviseerd om voor een behandeling naar het buitenland te gaan. Met hulp van familie heeft zij een visum voor Duitsland verkregen, waar zij werd opgevangen door de echtgenoot van haar tante. Na een verblijf van ongeveer twee maanden moest zij terugkeren naar Eritrea omdat haar visum zou verlopen. Omdat zij dit niet wilde, is zij naar Nederland gegaan. Eiseres heeft verklaard dat zij in die periode haar paspoort heeft weggegooid om uitzetting en terugkeer te voorkomen. Zij vreest bij terugkeer naar Eritrea te worden bestraft, omdat haar visum inmiddels is verlopen en zij niet tijdig is teruggekeerd. Verder heeft zij verklaard dat haar echtgenoot, die verlof van de militaire dienst had om voor de kinderen te zorgen, is opgepakt omdat hij na afloop van zijn verlof niet terugkeerde. Ten slotte heeft eiseres verklaard dat zij door haar gemeenschap is verstoten vanwege de gezondheidsproblemen van haar zoon.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
1. identiteit, nationaliteit en herkomst;
2. isolement en discriminatie wegens de medische situatie van haar zoon; en
3. de problemen van de echtgenoot van eiseres wegens haar verlate terugkeer.
4.1.
De minister acht de eerste twee asielmotieven geloofwaardig. Het derde asielmotief wordt door de minister ongeloofwaardig geacht, omdat eiseres volgens de minister geen goede verklaring heeft voor het ontbreken van haar paspoort en dat eiseres onsamenhangend en onaannemelijk over de problemen van haar echtgenoot verklaart.i Op basis van de geloofwaardig geachte asielmotieven komt de minister tot de conclusie dat deze niet leiden tot vluchtelingschap.ii Daartoe overweegt de minister dat de reden voor het vertrek van eiseres niet het sociaal isolement is, maar de medische situatie van haar zoon, welke volgens de minister niet kan leiden tot internationale bescherming. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat het isolement en discriminatie van dien aard is dat eiseres onmogelijk in Eritrea kan leven. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer gevaar loopt, omdat eiseres geen concrete informatie heeft aangedragen waaruit blijkt dat zij enkel vanwege het verstrijken van haar visum, bij terugkeer gevaar loopt. De aanvraag is door de minister afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat eiseres haar paspoort heeft vernietigd.iii Er is haar een terugkeerbesluit en een inreisverbod opgelegd.
4.2
Ter zitting heeft de minister te kennen gegeven dat het derde asielmotief niet langer relevant is, nu eiseres zelf heeft aangegeven dat dit asielmotief niet is gebaseerd op
de problemen van haar echtgenoot, maar uitsluitend op haar vrees vanwege haar verlate terugkeer.
Leiden de asielmotieven tot vluchtelingschap of ernstige schade bij terugkeer?
Over de medische situatie van de zoon van eiseres en het sociaal isolement
5. Eiseres voert aan dat zij als gevolg van de medische situatie van haar zoon in Eritrea in een sociaal isolement verkeerde. In haar correcties en aanvullingen heeft eiseres daaraan toegevoegd dat zij door deze omstandigheden in haar bestaansmogelijkheden ernstig werd beperkt. Volgens haar gaat het hierbij om een nadere toelichting en niet, zoals de minister heeft gesteld, om geheel nieuwe feiten. Deze toelichting dient daarom volgens eiseres bij de beoordeling te worden betrokken. Ter onderbouwing van het sociaal isolement verwijst eiseres naar een artikel van het Eritrese Ministerie van Informatie uit 2019.
5.1.
Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) volgt dat discriminatie kan worden aangemerkt als een daad van vervolging, maar alleen als de vreemdeling door de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn of haar bestaansmogelijkheden dat hij of zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren.iv Dit is nader uitgewerkt in paragraaf C2/3.2.6 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). De lat om op grond van discriminatie te worden aangemerkt als verdragsvluchteling of er bij terugkeer een reëel risico is op ernstige schade ligt dus hoog.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval deze lat niet is bereikt. De minister heeft er in dit verband op mogen wijzen dat uit de verklaringen van eiseres in het nader gehoor blijkt dat zij in Eritrea onderwijs heeft kunnen volgen, heeft gewerkt en op normale wijze heeft gewoond. Zij verklaart uit eigen beweging te zijn gestopt met haar opleiding en werk. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat dit vanwege de medische situatie van haar zoon niet meer kon. Ook verklaart eiseres in het nader gehoor dat zij en haar zoon toegang hebben gehad tot medische voorzieningen in Eritrea. Op de vraag of de belemmeringen aldaar beperkt waren tot negatieve opmerkingen over de situatie van haar zoon, antwoordt eiseres bevestigend. Uit deze verklaringen volgt niet dat eiseres zodanig in haar bestaansmogelijkheden werd beperkt, dat haar leven in Eritrea onmogelijk was. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de correcties en aanvullingen bij dit gehoor niet tot een andere conclusie leiden. Hierin is onder meer gesteld dat eiseres na de geboorte van haar zoon een vreselijk leven had, niet buiten durfde te komen, dat zij uit de gemeenschap werd verstoten en totaal geïsoleerd was. De minister heeft terecht betrokken dat deze stellingen wezenlijk afwijken van wat eiseres in het nader gehoor heeft verklaard, zonder dat zij daarvoor een goede reden heeft gegeven. Hierbij vindt de rechtbank van belang dat eiseres in het nader gehoor hierover uitvoerig is bevraagd. Verder zijn de stellingen in de correcties en aanvullingen ook niet nader onderbouwd en onvoldoende concreet om alsnog tot vluchtelingschap te kunnen leiden. Het overgelegde artikel van het Eritrese Ministerie van Informatie uit 2019 is hiertoe ook onvoldoende. De minister heeft terecht opgemerkt dat dit artikel ziet op de positie van kinderen met een psychische ziekte of het syndroom van Down, terwijl de zoon van eiseres oogproblemen heeft. Bovendien blijkt uit dit artikel dat de Eritrese autoriteiten stappen hebben ondernomen om de maatschappelijke inclusie van kinderen met een beperking te vorderen. Uit het voorgaande volgt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij om deze reden in aanmerking komt voor een asielvergunning. De beroepsgrond slaagt niet.
Over de vrees voor mobilisatie van eiseres
5.3.
Verder voert eiseres aan dat zij te vrezen heeft voor een heropleving van het militaire conflict met Ethiopië en dat zij bij terugkeer naar Eritrea zal worden gemobiliseerd. Ter onderbouwing verwijst zij naar een bericht van Human Rights Concern Eritrea van 18 februari 2025.
5.4.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiseres met dit bericht niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer haar dienstplicht zou moeten vervullen. De minister heeft terecht opgemerkt dat eiseres deze vrees pas bij het beroep, in de aanvullende gronden van 15 mei 2025, naar voren heeft gebracht. Tijdens het nader gehoor heeft eiseres uitdrukkelijk verklaard dat zij niet vreest voor de militaire dienstplicht, nu zij een getrouwde vrouw en moeder van acht kinderen is, en daardoor niet in dienst hoeft te treden. De rechtbank merkt verder op dat in het bericht van Human Rights Concern wordt gesproken over een oproep voor ‘retraining’. Nu niet in geschil is dat eiseres nooit in dienst is geweest, maakt dit bericht niet aannemelijk dat eiseres bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor mobilisatie. De beroepsgrond slaagt niet.
Over de vrees voor problemen vanwege het verlate terugkeer door het verstrijken van het visumtermijn van eiseres
5.5.
Eiseres voert aan dat zij bij terugkeer naar Eritrea problemen zal krijgen met de autoriteiten, omdat haar uitreisvisum al geruime tijd is verstreken. Zij verwijst hiervoor naar het ambtsbericht van 2023, waaruit zou blijken dat het verstrijken van de terugkeertermijn gelijk wordt gesteld aan illegale uitreis, waardoor zij bij terugkeer in de problemen zal komen. Verder wijst eiseres op een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 9 augustus 2024.v
5.6
De rechtbank merkt allereerst op dat de schriftelijke toelichting op het ambtsbericht van 2023, die onderdeel was van de procedure op grond van artikel 8:29 van de Awb, op 18 juni 2025 openbaar is geworden. De rechtbank zal dit stuk daarom betrekken bij haar beoordeling.
5.7
De rechtbank overweegt dat de minister eiseres in het kader van artikel 31 en artikel 30b van de Vw op zichzelf terecht heeft tegengeworpen dat zij haar paspoort heeft weggegooid en zonder goede reden niet aan haar asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd. Dat, zoals in beroep is aangevoerd, eiseres nog geen ervaring had met het asielsysteem, maakt het weggooien van het paspoort niet verschoonbaar. Ditzelfde geldt voor het wel verstrekken van andere stukken, zoals haar identiteitskaart en de doopakte van haar zoon, en de stelling dat informatie in het paspoort ook in het EUVIS-systeem zou kunnen staan. Nu haar paspoort dus (verwijtbaar) ontbreekt, kan eiseres haar stelling dat zij legaal is uitgereisd met een uitreisvisum niet onderbouwen. Het voorgaande neemt echter niet weg dat moet worden beoordeeld of de terugkeer van eiseres en haar zoon naar Eritrea zal leiden tot een reëel risico op ernstige schade, wat ook is gebeurd in het bestreden besluit. De minister is, zoals ter zitting bevestigd, hierbij uitgegaan van de verklaringen van eiseres over haar legale uitreis met een uitreisvisum. Dat legale uitreis uit Eritrea feitelijk alleen mogelijk is met een uitreisvisum, volgt ook uit de landeninformatie.vi Ook is in de besluitvorming ervan uitgegaan dat Eritrese uitreisvisa een terugkeertermijn hebben van 1-3 maanden, welke inmiddels is verstreken. Beoordeeld moet worden of de minister, gegeven de wijze van
uitreis van eiseres, terecht heeft geconcludeerd dat terugkeer van eiseres naar Eritrea niet zal leiden tot een reëel risico op ernstige schade.
5.8
De Afdeling heeft over het algemeen ambtsbericht over Eritrea van mei 2022 geoordeeld dat, gelet op eerdere ambtsberichten uit 2017 en 2018, hieruit volgt dat legaal uitgereisde Eritreeërs op elk willekeurig moment kunnen terugkeren.vii In deze Afdelingsuitspraak is echter overwogen dat alleen rekening is gehouden met het ambtsbericht van 2022 en niet met dat van 2023. In het ambtsbericht van 2023 wordt – anders dan in het ambtsbericht van 2022 – enerzijds vermeld dat uit één vertrouwelijke bron volgt dat bij overschrijding van de terugkeertermijn die aan een uitreisvisum is gekoppeld vervolging bij terugkeer kan plaatsvinden, waaronder detentie, en anderzijds dat uit een andere bronviii volgt dat overschrijding van een dergelijke termijn door de Eritrese autoriteiten niet als illegaal verblijf in het buitenland wordt gezien, tenzij sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.ix In de toelichting van 28 april 2025 wordt ten aanzien van de laatstvermelde bron nader toegelicht wie dit rapport heeft opgesteld en worden er een aantal citaten uit weergegeven. Ook wordt in deze toelichting vermeld dat hoewel uit de in het ambtsbericht vermelde bronnen kan worden opgemaakt dat aan een uitreisvisum een terugkeertermijn verbonden is waarbinnen de houder moet terugkeren naar Eritrea, er ook bronnen zijn waaruit volgt dat alleen een uitreistermijn op dergelijke visa is vermeld en de houder op elk willekeurig document kan terugkeren. Hierbij zijn een aantal bronnen van 2021 en eerder vermeld en drie vertrouwelijke bronnen uit 2025.
5.9
De rechtbank stelt vast dat in de besluitvorming ervan is uitgegaan dat het uitreisvisum van eiseres een terugkeertermijn bevatte.x Voor zover de minister met het overleggen van de toelichting van 28 april 2025 beoogt te stellen dat er voor eiseres toch geen terugkeertermijn is, overweegt de rechtbank als volgt. Wat betreft de vraag of uitreisvisa van Eritrea een terugkeertermijn bevatten, wijkt de toelichting, zoals daarin ook is geconstateerd, af van wat er in het ambtsbericht is opgenomen. Nu voorheen altijd werd uitgegaan dat er wel een terugkeertermijn was, gaat de rechtbank ervan uit dat de informatie in de toelichting met name is gebaseerd op de drie recente bronnen uit 2025. Nu deze bronnen allemaal vertrouwelijk zijn, kan de rechtbank niet controleren op welke informatie deze passage in de toelichting berust.
5.1
De rechtbank stelt verder vast dat, ervan uitgaand dat er een terugkeertermijn is, het ambtsbericht over de gevolgen van overschrijding ervan inconcludent is, nu twee bronnen worden geciteerd die hierover tegenstrijdige informatie geven. De toelichting van 28 april 2025 brengt hierin naar het oordeel van de rechtbank geen verandering, nu hierin slechts iets meer van de inhoud van één van de bronnen is weergegeven. Deze bron is in het ambtsbericht reeds genoemd en openbaar raadpleegbaar.xi De andere bron, waaruit kennelijk volgt dat er wel vervolging en detentie mogelijk zijn bij verlate terugkeer, is vertrouwelijk, zodat de rechtbank deze niet kan beoordelen en vergelijken met de (informatie uit de) andere bron.
5.11
Hoewel de minister er in beginsel van mag uitgaan dat een ambtsbericht op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten, laat dat onverlet dat zich situaties kunnen voordoen waarin de vergewisplicht van de minister meebrengt dat hij moet nagaan hoe de minister van Buitenlandse Zaken tot zijn conclusies is gekomen. xii De rechtbank vindt dat zo een situatie zich hier voordoet. De minister moet nader onderzoeken of er nu wel of niet een
terugkeertermijn geldt voor Eritrese uitreisvisa en hierbij zo nodig kennis nemen van de onderliggende stukken van het ambtsbericht en de toelichting erop. Verder vindt de rechtbank dat, gelet op de potentieel ernstige gevolgen voor eiseres en haar zoon bij terugkeer, de minister niet aan zijn vergewisplicht kan voldoen zonder ook kennis te nemen van de vertrouwelijke bron waarin is vermeld dat er wel mogelijk vervolging en detentie plaatsvindt bij verlate terugkeer. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen wegens een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. Nu het aan de minister is om nader onderzoek te doen, ziet de rechtbank geen mogelijkheid om het geschil finaal te beslechten. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt, mede in aanmerking de reeds lange duur van de asielprocedure, hiervoor een termijn van zes weken.
6.1.
De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank vast op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op €1.814,00 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van €907,00 en een wegingsfactor van 1).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 26 maart 2025;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; en
  • veroordeelt de minister tot betaling van €1.814,00 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. den Dulk, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Tank, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
21 november 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ii Artikel 31, eerste lid, aanhef onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
ii Artikel 29, eerste lid, aanhef onder a en b, van de Vw.
iii Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw.
iv Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 14 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:454.
vi Zie pagina 18 en 19 van het ambtsbericht van 2023.
vii Zie de uitspraak van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1235, r.o. 3.1.
viii Te weten een rapport van D. Mekonnen & A. Yohannes, getiteld Voraussetzungen und rechtliche Auswirkungen des eritreischen Diaspora-Status.
ix Pagina 21 van het ambtsbericht van 2023.
x Zie pagina 6 van het voornemen.
xi Zie [internetsite]
xii Zie o.m. de Afdelingsuitspraak van 17 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1294, r.o. 2.1.