ECLI:NL:RBDHA:2025:23265

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
NL25.10750
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging tot voorlopig verblijf voor familie- of gezinsleden met betrekking tot bijkomende elementen van afhankelijkheid

Deze uitspraak betreft de afwijzing van de aanvraag van eiseressen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op basis van artikel 8 van het EVRM. Eiseressen, de moeder en zus van referent, zijn het niet eens met de afwijzing van hun aanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 behandeld, waarbij eiseressen en hun gemachtigde aanwezig waren, evenals de gemachtigde van de minister en een tolk. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom er geen sprake zou zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eiseressen en referent. De rechtbank vernietigt het besluit van de minister en draagt deze op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de minister ook het griffierecht en de proceskosten aan eiseressen moet vergoeden. De rechtbank concludeert dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eiseressen aangedragen feiten en omstandigheden niet maken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele band overstijgen.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.10750
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres 1], V-nummer: [V-nummer] , eiseres 1
[eiseres 2], V-nummer: [V-nummer] , eiseres 2 Gezamenlijk: eiseressen
(gemachtigde: mr. W.J. Rohlof), en
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: M.L.A. mr. Berkelmans).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseressen om verlening van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Eiseressen zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiseressen gegrond is. Eiseressen krijgen dus gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

3. Eiseressen en referent ( [referent] ) hebben de Pakistaanse nationaliteit. Eiseres 1 is de moeder van referent en eiseres 2 is de zus van referent.
4. Referent heeft een asielvergunning in Nederland. Op 10 februari 2022 heeft referent voor zijn vader, moeder en zus een aanvraag voor een mvv ingediend.
5. Bij besluit van 26 oktober 2023 heeft de minister de aanvraag van eiseressen en van de vader van referent afgewezen als ongegrond. Met het besluit van 11 februari 2025 (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing gebleven. Eiseressen en de vader van referent hebben beroep ingesteld tegen deze afwijzing. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
6. De rechtbank heeft het beroep op 29 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referent, de gemachtigde van eiseressen, A. Sareen als tolk en de gemachtigde van de minister.
7. In de periode tussen het nemen van het bestreden besluit en het behandelen van het beroep op zitting, is de vader van referent overleden. Het beroep ziet daarom – zoals ook op de zitting is besproken – alleen nog op eiseressen. De gronden die betrekking hebben op de mvv aanvraag van vader, zullen daarom niet bij deze uitspraak worden betrokken.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
8. De minister heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat er geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiseressen en referent in de zin van artikel 8 van het EVRM. Volgens de minister voldoet referent niet aan de voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid, omdat hij in Pakistan vier jaar lang heeft gewerkt en dus in zijn eigen onderhoud heeft voorzien. Daarnaast is de minister van mening dat er tussen eiseressen en referent geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Hierbij heeft de minister overwogen dat er weliswaar sprake is geweest van samenwoning, maar dat niet is gebleken dat er sprake was van een specifieke afhankelijkheidsvraag. Dat er sprake is van financiële ondersteuning betekent verder ook niet dat er sprake is van een bijkomend element van afhankelijkheid. De financiële ondersteuning kan namelijk ook op afstand plaatsvinden. Verder is de minister van mening dat er niet is gebleken dat eiseressen afhankelijk zijn van praktische hulp of dat sprake is van materiele afhankelijkheid van referent. Ook de gezondheid van eiseressen is geen aanleiding om uit te gaan van een bijkomend element van afhankelijkheid. Eiseressen hebben sterke banden met Pakistan. Dat het niet veilig is in Pakistan is geen reden om bijkomende elementen van afhankelijkheid aan te nemen, want er kan geen doorslaggevende betekenis worden toegekend aan asielgerelateerde omstandigheden. Tot slot is de minister van oordeel dat er weliswaar sprake is van een hecht gezin, maar dat dit contact op afstand kan worden onderhouden.

Het jongvolwassenenbeleid

9. Op de zitting hebben eiseressen de beroepsgrond over het jongvolwassenenbeleid laten vallen. De rechtbank zal deze grond dus niet beoordelen.
Bijkomende elementen van afhankelijkheid
10. Met betrekking tot de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid, voeren eiseressen het volgende aan. Er is sprake van een lange duur van samenwoning, want eiseressen en referent hebben tot het vertrek van referent naar Nederland altijd samengewoond. Daarnaast zijn eiseressen financieel afhankelijk van referent. De minister heeft bij de toetsing aan het jongvolwassenenbeleid ook betrokken dat referent eiseressen in Pakistan onderhield. De minister heeft de financiële afhankelijkheid dan ook ten onrechte niet (kenbaar) in het voordeel van eiseressen meegewogen. Ook bestaat er tussen eiseressen en referent een zeer sterke emotionele band. De minister stelt dat niet is gebleken dat eiseressen zichzelf niet staande kunnen houden en niet zonder referent kunnen functioneren. Dit is een te hoge maatstaf voor de beoordeling van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Hierbij wijzen eiseressen naar een uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3275). Verder hebben eiseressen last van (psychische) gezondheidsklachten. Deze gezondheidsklachten vergroten de afhankelijkheid tussen referent en eiseressen. Daarbij komt dat, indien eiseres 1 het ziekenhuis moet bezoeken, zij niet alleen en zonder man over straat kan. Ook de vader van eiseres 1 - met wie zij samenwoont - kan haar niet hierbij helpen omdat hij op leeftijd is. Door deze omstandigheid is er ook sprake van materiële afhankelijkheid tussen referent en eiseres 1. De minister had deze verschillende elementen in samenhang moeten beoordelen en dit heeft hij niet (voldoende) gedaan.
11. De rechtbank overweegt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseressen niet aannemelijk hebben gemaakt dat er sprake is van een afhankelijkheid van referent vanwege gezondheidsklachten. Eerst in beroep hebben eiseressen ter onderbouwing van de gezondheidsklachten documenten overgelegd. Deze documenten betreffen verklaringen van hun arts. Daaruit komt naar voren dat eiseressen onder andere psychische klachten hebben, maar daaruit kan niet worden opgemaakt dat zij afhankelijk zijn van referent voor de nodige zorg. Hoewel het verder begrijpelijk is dat het voor de vader van eiseres 1, gelet op zijn hoge leeftijd, lastig is om in geval van een ziekenhuisbezoek eiseressen te begeleiden, is niet aannemelijk geworden dat eiseressen voor de medische zorg afhankelijk zijn van het bezoek aan een ziekenhuis dan wel dat dit zonder begeleiding door de vader van eiseres 1 niet kan plaatsvinden.
12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ten aanzien van de overige door eiseressen aangedragen punten onvoldoende gemotiveerd dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Daartoe wijst de rechtbank er op dat uit de uitspraak van Afdeling van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1188), volgt dat de minister een op het geval toegespitste beoordeling moet maken van alle door een vreemdeling aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat de door die vreemdeling gestelde bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Elementen zoals de financiële en materiële afhankelijkheid tussen betrokkenen, de gezondheid van betrokkenen, de banden met het land van herkomst, de mate van emotionele afhankelijkheid en het antwoord op de vraag of betrokkenen hebben samengewoond, kunnen bijvoorbeeld een rol spelen.
13. De rechtbank constateert dat de minister bij de toets aan het jongvolwassenenbeleid rekenschap heeft gegeven van de omstandigheid dat referent, na het noodgedwongen vertrek van vader, aan het werk is gegaan en eiseressen jarenlang financieel heeft ondersteund Bij de beoordeling van de bijkomende elementen van afhankelijkheid heeft de minister dit aspect niet zichtbaar betrokken. Zowel in het besluit als op de zitting, heeft de minister zich alleen op het standpunt gesteld dat de financiële ondersteuning ook op afstand kan plaatsvinden. Dit kan een rol spelen bij de beoordeling van de financiële afhankelijkheid, maar leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat tussen betrokkenen geen bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Dit volgt ook uit de eerder genoemde uitspraak van de Afdeling van 18 juli 2025. De bijkomende elementen van afhankelijkheid kunnen namelijk ook nog volgen uit de financiële afhankelijkheid van betrokkenen in samenhang bezien met overige individuele omstandigheden.
14. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat de minister niet betwist dat referent en eiseressen langdurig hebben samengewoond en er een hechte band is tussen referent en eiseressen. In het bestreden besluit wordt niet inzichtelijk waarom al deze omstandigheden, in samenhang met de financiële ondersteuning, niet maken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele band overstijgen. De constateringen dat niet is gebleken van een specifieke afhankelijkheidsrelatie of dat niet is gebleken dat eiseressen niet zelfstandig kunnen functioneren is daarvoor onvoldoende. Daarbij wijst de rechtbank er op dat uit de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1189) volgt dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat een vreemdeling exclusief afhankelijk is van een referent en zonder een referent niet zelfstandig kan functioneren.
15. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom de door eiseressen aangedragen feiten en omstandigheden, in samenhang bezien, niet maken dat er sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid die de gebruikelijke emotionele band overstijgen.

Conclusie en gevolgen

16. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
17. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
18. Omdat het beroep gegrond is moet de minister het griffierecht aan eiseressen vergoeden en krijgen eiseressen ook een vergoeding van hun proceskosten. De vergoeding van de proceskosten bedraagt €1.814,- omdat de gemachtigde van eiseressen een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het besluit van 11 februari 2025;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
  • bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194,00 aan eiseressen moet vergoeden;
  • bepaalt dat de minister de proceskosten van € 1.814,- aan eiseressen moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. W.J.T. Twijnstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.