ECLI:NL:RBDHA:2025:23304

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
24/8265
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Buitenbehandelingstelling paspoortaanvraag en procesbelang bij schadevergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 5 december 2025, wordt het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag beoordeeld. Eiser had op 27 juli 2023 een aanvraag ingediend bij de Nederlandse ambassade in Rabat, maar deze werd op 14 november 2023 buiten behandeling gesteld vanwege twijfels over zijn identiteit. Eiser maakte bezwaar, maar dit werd op 29 augustus 2024 niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder stelde dat eiser geen procesbelang meer had. Eiser betwistte dit en voerde aan dat hij schade had geleden door de onrechtmatige besluitvorming, waaronder PTSS en materiële schade door langdurig verblijf zonder inkomen in Marokko.

De rechtbank oordeelde dat verweerder niet zorgvuldig had gehandeld door geen navraag te doen naar andere belangen van eiser bij een heroverweging van het primaire besluit. De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en oordeelde dat eiser wel degelijk procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit. De rechtbank concludeerde dat het primaire besluit in strijd was met artikel 36, derde lid, van het paspoortuitvoeringsbesluit buitenland 2001 en dat de besluitvorming niet op zorgvuldige wijze tot stand was gekomen. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat het bezwaar tegen het primaire besluit gegrond was. Eiser kreeg recht op vergoeding van griffierecht en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8265

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. T. de Boer),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: mr. L.H.T. Geuzendam).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de buitenbehandelingstelling van zijn paspoortaanvraag.
1.1.
Verweerder heeft eisers aanvraag met het besluit van 14 november 2023 (het primaire besluit) buiten behandeling gesteld. Met het bestreden besluit van 29 augustus 2024 heeft verweerder eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van procesbelang.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam 1] (zus van eiser), [naam 2] (voormalig geestelijk verzorger van eiser) en de gemachtigde van verweerder, vergezeld door mr. I.S. IJserinkhuijzen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser, geboren op [geboortedatum] 1979 in Nederland, heeft op 27 juli 2023 bij de Nederlandse ambassade in Rabat (Marokko) een aanvraag ingediend voor een Nederlands paspoort en identiteitsbewijs. In de periode daarvoor heeft eiser ruim 3,5 jaar in voorarrest gezeten in Gambia en Senegal en heeft hij, nadat hij werd vrijgesproken, zijn Nederlandse identiteitskaart en Marokkaanse paspoort in Senegal achter moeten laten. Omdat verweerder tijdens de behandeling van eisers aanvraag twijfels kreeg over eisers identiteit is de aanvraag buiten behandeling gesteld. Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Op 6 augustus 2024 is eiser via een andere procedure met een laissez-passer naar Nederland gereisd en de volgende dag door de gemeente Leiden in het bezit gesteld van een Nederlandse identiteitskaart. Gelet op deze ontwikkeling heeft verweerder eisers bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder is niet meer bevoegd de aanvraag voor een paspoort in behandeling te nemen nu eiser zich niet meer in het buitenland bevindt.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser vindt dat zijn bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hij heeft belang bij een inhoudelijke beoordeling van het primaire besluit omdat hij schade heeft geleden door dat onrechtmatige besluit. Eiser verwijst naar bestendige jurisprudentie waaruit blijkt dat het belang bij een bezwaar gelegen kan zijn in de mogelijke aanspraak op schadevergoeding. [1]
3.1.
Eiser erkent dat het juist is dat verweerder sinds 6 augustus 2024 niet meer bevoegd was om de paspoortaanvraag van eiser in behandeling te nemen. Omdat het duidelijk was dat eiser schade heeft geleden door het niet in behandeling nemen van zijn paspoortaanvraag, het veel te laat informeren van eiser over de reden daarvoor en het niet binnen de redelijke termijnen behandelen van zowel zijn aanvraag als het bezwaar, had verweerder eisers bezwaar toch inhoudelijk moeten beoordelen. Eiser heeft in zijn bezwaar en de procedure daaromtrent altijd duidelijk gemaakt welke belangen er voor hem speelden bij het verkrijgen van een paspoort en terugkeer naar Nederland.
3.2.
Met betrekking tot de schade die eiser heeft geleden, voert eiser aan dat de trauma’s die hij overhield aan de lange en onterechte en traumatische detentie in Senegal en Gambia zijn versterkt door de situatie waar hij in terecht kwam na de aanvraag voor een Nederlands paspoort. Eiser heeft ruim een jaar zonder inkomen op straat moeten leven in Marokko. Hij heeft mede hieraan PTSS en andere medische aandoeningen overgehouden. Daarnaast heeft eiser materiele schade geleden. De schadeposten zal eiser nader berekenen in het kader van een civiele procedure dan wel een bestuursrechtelijk verzoek tot schadevergoeding of in een schadestaatprocedure.
3.3.
Eiser voert aan dat het primaire besluit om meerdere redenen onrechtmatig is. Met name omdat verweerder eiser bij twijfel over de identiteit in de gelegenheid had moeten stellen om daarover aanvullende bewijsstukken in te dienen. De omstandigheid dat aan eiser een noodpaspoort is verstrekt en dat hij direct bij terugkeer in Nederland zijn identiteitskaart heeft gekregen, laat zien dat de twijfel over zijn identiteit ongegrond was.
3.4.
Ook in de bezwaarfase heeft verweerder onrechtmatig gehandeld door niet duidelijk te maken aan eiser waar de onduidelijkheid over eisers identiteit in zat. Op die manier heeft de procedure onnodig lang geduurd waardoor eiser schade heeft opgelopen.
3.5.
Tot slot heeft verweerder de beslistermijn zowel bij het primaire besluit als het bestreden besluit overschreden. Indien de rechtbank van oordeel is dat geen sprake is van een onrechtmatig besluit, meent eiser toch recht op schadevergoeding te hebben vanwege de overschrijding van deze beslistermijn.
Wat vindt verweerder?
Verweerder wijst er op dat eiser in de bezwaarfase nooit gevraagd heeft om schadevergoeding. Daarom was er geen aanleiding om eisers bezwaar om die reden alsnog inhoudelijk te beoordelen. Er is op juiste gronden niet-ontvankelijk verklaard.Bovendien heeft eiser het causale verband tussen de gestelde immateriële schade en het verblijf in Marokko niet onderbouwd. Voor de materiele schade is er niet voldaan aan het relativiteitsvereiste. De normen die door verweerder zouden zijn geschonden strekken niet tot bescherming van de door eiser aangevoerde vermogensrechtelijke belangen zoals het voorkomen van een AOW gat. Eiser had dus geen belang bij de inhoudelijke behandeling van zijn bezwaar vanwege zijn verzoek tot schadevergoeding.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
4. Volgens vaste rechtspraak kan aan een verzoek om schadevergoeding procesbelang worden ontleend als de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. [2]
4.1.
De rechtbank stelt voorop dat het besluit dat ter toetsing voorligt het bestreden besluit is van 29 augustus 2024. Daarbij is het bezwaar van eiser niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser geen in redelijkheid te honoreren belang meer heeft bij een inhoudelijke heroverweging van de weigering om eisers aanvraag in behandeling te nemen.
4.2.
Partijen zijn het er over eens dat verweerder niet langer bevoegd was om aan eiser een paspoort te verstrekken op het moment dat hij weer in Nederland was en bovendien in het bezit werd gesteld van een Nederlandse identiteitskaart. Daarmee heeft verweerder terecht besloten dat eiser voor dat deel geen belang meer had bij de heroverweging van het primaire besluit ten aanzien van eisers paspoort.
4.3.
Het vorengaande maakt echter niet dat verweerder in het bestreden besluit heeft kunnen stellen dat eiser geen in redelijkheid te honoreren belang meer heeft bij een inhoudelijke heroverweging van het primaire besluit. De rechtbank is van oordeel dat het gelet op het verloop van de procedure, op de weg van verweerder lag om navraag te doen bij eiser over de vraag of er naast het belang van de verstrekking van een paspoort nog andere belangen spelen die maken dat een heroverweging van het primaire besluit vereist is. Door dit na te laten heeft verweerder niet zorgvuldig gehandeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het dossier niet volgt dat het niet in de rede lag dat eiser een belang bij heroverweging zou kunnen hebben vanwege geleden schade. Eiser, en zijn zus namens hem, hebben namelijk melding gemaakt van ernstige problemen die eiser ondervond als gevolg van het primaire besluit. [3] Ook hebben zij melding gemaakt van de frustratie die die problemen samen met de duur van de aanvraagprocedure en bezwaarprocedure en het gebrek aan communicatie vanuit verweerder voorafgaand aan het primaire besluit en in de bezwaarprocedure [4] , met zich meebracht. Dat eiser in de bezwaarfase niet expliciet heeft verzocht om vergoeding van de door hem geleden schade is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om verweerder te ontslaan van zijn verplichting om daar in het kader van zorgvuldigheid vragen over te stellen aan eiser. Te meer nu eiser in de bezwaarfase geen bijstand had van een (professioneel) gemachtigde.
5. Nu de rechtbank van oordeel is dat het bestreden besluit niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, vernietigt zij dit besluit. Omdat de besluitvorming al geruime tijd in beslag genomen heeft en eiser heeft aangegeven behoefte te hebben aan afronding, zal de rechtbank met het oog op finale geschilbeslechting, het geschil zelf beoordelen en haar oordeel in de plaats van het bestreden besluit stellen. Hiertoe dient de rechtbank eerst te beoordelen of eiser procesbelang heeft bij een inhoudelijk beoordeling van het primaire besluit. De rechtbank heeft onder punt 4 al overwogen dat uit het dossier niet volgt dat het niet in de rede lag dat eiser een belang bij heroverweging zou kunnen hebben vanwege geleden schade. De rechtbank is van oordeel dat uit het gestelde door eiser zowel in de aanvraagprocedure als tijdens de bezwaarprocedure over de (ernstige) gevolgen van de besluitvorming, al volgt dat niet op voorhand onaannemelijk is dat eiser schade heeft geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming. Eiser heeft dus procesbelang bij een inhoudelijke heroverweging van het primaire besluit. De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het primaire besluit rechtmatig is. Eiser heeft namelijk geen belang meer bij herroeping van het primaire besluit.
6. De rechtbank is van oordeel dat het primaire besluit strijdig is met artikel 36, derde lid, van het paspoortuitvoeringsbesluit buitenland 2001 en de zorgvuldigheid. [5] Dit betekent dat het primaire besluit onrechtmatig is. De rechtbank licht dit hierna verder toe.
7. Verweerder bevestigde ter zitting desgevraagd dat in de aanvraagprocedure aan eiser geen nadere identificerende vragen zijn gesteld nadat de twijfel over zijn identiteit was gerezen. De reden daarvoor moest verweerder schuldig blijven. De rechtbank stelt vast dat verweerder daarmee niet heeft voldaan aan artikel 36, derde lid, van het paspoortuitvoeringsbesluit buitenland 2001, waarin is bepaald dat bij een gericht onderzoek als bedoeld in artikel 2.1, tweede lid, van het Paspoortbesluit [6] tevens nadere vragen worden gesteld. Het stellen van nadere vragen lag bovendien in de rede nu verweerder ter zitting heeft erkend dat het ook mogelijk is dat iemand anders (een ambassademedewerker) dat deel van het aanvraagformulier op grond waarvan bij verweerder twijfels over de identiteit van eiser zijn ontstaan, heeft ingevuld in plaats van eiser, nu hiervoor twee verschillende pennen zijn gebruikt.
8. Daarnaast blijkt uit het dossier dat de fraude unit van de consulaire service organisatie op 13 november 2023 aan verweerder geadviseerd heeft om het paspoort af te geven omdat de fraude unit geen twijfel had aan eisers identiteit. Verweerder heeft dit advies echter niet overgenomen en heeft eisers aanvraag op 14 november 2023 buiten behandeling gesteld. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat het niet duidelijk is waarom daar voor gekozen is. Dat dit soort adviezen niet vaak worden afgegeven is daarvoor naar het oordeel van de rechtbank geen goede reden.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
9.1.
De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht nu zelf een beslissing en bepaalt dat het bezwaar tegen het primaire besluit van 14 november 2023 gegrond is. De redenen daartoe zijn terug te vinden in rechtsoverweging 7, 8 en 9. De rechtbank laat de rechtsgevolgen wel in stand aangezien het belang van eiser alleen gelegen is in een rechtmatigheidsoordeel over het primaire besluit.
9.2.
Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.814,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 augustus 2024;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 14 november 2023 gegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Timmer, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 december 2025.
Griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser wijst op uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 17 april 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:793 en 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:244 en uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3504, 10 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:469, 20 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2067, 25 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2862, 22 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2282 en 5 september 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX6525.
2.Uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:244 en van 17 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:359.
3.Bijvoorbeeld in de e-mail van 9 november 2023 van eiser aan verweerder, de e-mail van de voormalig vaste begeleider van eiser in het kader van het Bureau Buitenland Reclassering van 3 november 2023 aan verweerder en het bezwaarschrift van 7 december 2023.
4.Bijvoorbeeld de e-mail van eiser van 9 november 2023 en de e-mails van de zus van 11 april 2024 aan verweerder.
5.Artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
6.Indien onzekerheid bestaat over de identiteit dan wel over het Nederlanderschap van de aanvrager wordt daarnaar een gericht onderzoek ingesteld. Dit onderzoek omvat zoveel mogelijk verificatie van de identiteit dan wel de nationaliteit met behulp van door de aanvrager over te leggen documenten die zijn afgegeven door een bevoegde autoriteit, waaronder zijn geboorteakte, reisdocumenten die op zijn naam zijn gesteld, dan wel buitenlandse reisdocumenten waarin hij staat vermeld en eventuele andere bewijsstukken.