Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2024:793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 april 2024
Publicatiedatum
29 april 2024
Zaaknummer
23/1486 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:1 AwbArt. 6:162 BWDagloonbesluit werknemersverzekeringen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij geschil over WW-dagloon

Appellante was werkzaam bij een werkgever en meldde zich ziek. Het UWV kende haar een Ziektewet-uitkering toe met een dagloon van €138,61. Later werd deze uitkering beëindigd en kreeg zij een WW-uitkering toegekend met een dagloon van €45,04, waartegen zij bezwaar maakte vanwege een te laag vastgesteld dagloon.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Appellante stelde dat zij een principieel oordeel wilde over de juistheid van het dagloon, mede vanwege mogelijke rechtsontwikkeling en haar onzekere inkomenspositie die haar dwong te verhuizen.

De Raad oordeelde dat een principieel belang onvoldoende is voor procesbelang en dat de immateriële schadeclaim onvoldoende is onderbouwd. Daarom is het hoger beroep niet-ontvankelijk en wordt geen inhoudelijk oordeel gegeven over de dagloonvaststelling. Ook een schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

23/1486 ZW
Datum uitspraak: 17 april 2024
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 29 maart 2023, 21/1783 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

SAMENVATTING

Het gaat in deze zaak over de hoogte van het dagloon van de aan appellante toegekende
WW-uitkering. Appellante wil hierover een oordeel van de Raad, ook al is deze uitkering later ingetrokken en is haar alsnog een ZW-uitkering over dezelfde periode toegekend. De Raad oordeelt dat appellante geen belang heeft bij het hoger beroep. Een principieel belang is onvoldoende om procesbelang aan te nemen. De door appellante gestelde immateriële schade heeft zij niet onderbouwd, zodat ook hierin geen procesbelang is gelegen.

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en vragen van de Raad beantwoord.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 6 maart 2024. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door E.C. van der Meer.

OVERWEGINGEN

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellante is vanaf 1 juli 2019 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot 1 juli 2020 werkzaam geweest bij [werkgeefster] (werkgeefster). Zij heeft zich per 23 augustus 2019 ziekgemeld. Bij besluit van 10 juli 2020 heeft het Uwv aan appellante met ingang van 1 juli 2020 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 138,61.
1.2.
In het kader van de zogeheten eerstejaars ZW-beoordeling is deze uitkering met een besluit van 23 oktober 2020 per 24 november 2020 beëindigd. Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
1.3.
Bij besluit van 19 november 2020 heeft het Uwv appellante met ingang van 24 november 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Het dagloon is daarbij vastgesteld op € 45,04. Ook tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt. Volgens appellante is haar dagloon te laag vastgesteld, omdat is uitgegaan van een verkeerde referteperiode.
1.4.
Bij besluiten van 5 januari 2021 en 15 januari 2021 heeft het Uwv appellante met ingang van 24 november 2020 een toeslag van € 10,42 per dag op haar WW-uitkering toegekend.
1.5.
In een beslissing op bezwaar van 3 maart 2021 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 19 november 2020 over de hoogte van haar WW-dagloon ongegrond verklaard.
1.6.
In een beslissing op bezwaar van 12 mei 2021 heeft het Uwv het door appellante gemaakte bezwaar tegen het besluit van 23 oktober 2020 over de beëindiging van de
ZW-uitkering gegrond verklaard en dat besluit herroepen. Appellante heeft per 24 november 2020 onveranderd recht op ZW-uitkering.
1.7.
Bij besluit van 21 mei 2021 is de ZWuitkering per 1 maart 2021 beëindigd, omdat appellante hersteld is gemeld.
1.8.
Vervolgens heeft het Uwv met een besluit van 6 juli 2021 het besluit van
19 november 2020 herroepen en de aanvraag van appellante om een WWuitkering afgewezen, omdat zij alsnog recht heeft op (voortzetting van) een ZWuitkering.
1.9.
Appellante heeft bij brieven van 3 februari 2022 en 13 april 2022 een verzoek om schadevergoeding ingediend, omdat zij schade zou hebben geleden door het bestreden besluit. Het Uwv heeft bij besluit van 21 juni 2022 het verzoek van appellante om vergoeding van door haar geleden schade afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat het Uwv van mening is dat het besluit van 19 november 2020 niet onrechtmatig was. In dit verband heeft het Uwv erop gewezen dat de bezwaren van appellante bij het bestreden besluit ongegrond zijn verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en het verzoek van appellante om schadevergoeding afgewezen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het bestreden besluit niet onrechtmatig is.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Ter zitting heeft appellante nader toegelicht dat zij een oordeel wil over de juistheid van de hoogte van het dagloon van de WW-uitkering, omdat dit volgens haar van belang is voor de rechtsontwikkeling. In dat kader heeft zij benadrukt dat zij niet de enige is die in een situatie waarin zij verkeerde terecht kan komen. Appellante heeft erkend dat de door haar geclaimde schade meer verband houdt met de onterechte beëindiging van de ZW-uitkering dan met de hoogte van de WW-uitkering. Zij werd echter in de periode van 24 november 2020 tot 1 maart 2021, waarin zij geen
ZW-uitkering ontving, geconfronteerd met een lage WW-uitkering. Per 1 maart 2021 is zij weliswaar gaan werken, maar zij wist niet of zij dit werk vol zou kunnen houden. Als zij haar baan zou verliezen, zou zij weer terugvallen op de lage WW-uitkering. Door haar onzekere inkomenspositie voelde zij zich genoodzaakt maatregelen te treffen en de huur van haar woning op zeggen en te verhuizen. Hoewel het Uwv het WW-dagloon naar de letter in overeenstemming met het Dagloonbesluit werknemersverzekeringen heeft vastgesteld, is appellante van mening dat wetshistorische interpretatie dan wel het evenredigheidsbeginsel in haar geval tot een andere uitkomst had moeten leiden.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

Het oordeel van de Raad

4. Voordat aan de inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep kan worden toegekomen, moet worden beoordeeld of appellante daarbij belang heeft. De Raad komt tot het oordeel dat appellante geen procesbelang heeft en dat het hoger beroep daarom nietontvankelijk is.
4.1.
Voor het antwoord op de vraag of een betrokkene voldoende procesbelang heeft, is volgens vaste rechtspraak [1] bepalend of het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift nastreeft ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.2.
Ter zitting heeft appellante desgevraagd te kennen gegeven dat het haar met name te doen is om de principiële vraag of de vaststelling van het WW-dagloon in overeenstemming is met de uitgangspunten en bedoelingen van de besluitgever. Appellante heeft daarbij benadrukt dat ook andere werknemers door de dagloonregels kunnen worden benadeeld. Gelet op wat appellante hierover heeft aangevoerd betreft dit een louter formeel of principieel belang waaraan zij geen procesbelang kan ontlenen.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak kan aan een verzoek om schadevergoeding procesbelang worden ontleend als de stelling dat schade is geleden als gevolg van de bestuurlijke besluitvorming niet op voorhand onaannemelijk is. [2]
4.4.
Appellante heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade van € 3.000,- omdat zij zich door haar onzekere inkomenssituatie gedwongen voelde te verhuizen. Zij heeft haar eigen woning verlaten en is gaan inwonen bij haar vriend in Antwerpen. Ook heeft zij bij haar moeder gewoond. Deze in haar ogen gedwongen verhuizing heeft volgens appellante veel stress veroorzaakt en verminderd woongenot opgeleverd, mede omdat zij in Antwerpen in een woning kwam te wonen waar ook andere huisgenoten woonden. Deze onderbouwing van haar schadeclaim is dusdanig summier dat op voorhand onaannemelijk is dat appellante daadwerkelijk in enigerlei vorm schade heeft geleden als gevolg van het bestreden besluit. Daarbij is van belang dat voor vergoeding van immateriële schade onvoldoende is dat sprake is van min of meer sterk psychisch onbehagen en van zich gekwetst voelen door een onrechtmatig genomen besluit. [3] Gelet hierop kan appellante aan de gestelde schade evenmin procesbelang ontlenen. [4]

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep is dus nietontvankelijk. Dit betekent dat de Raad geen oordeel zal geven over de vraag of het Uwv het WWdagloon juist heeft vastgesteld. Hieruit volgt dat voor een schadevergoeding geen aanleiding bestaat.
6. Omdat het hoger beroep nietontvankelijk is, krijgt appellante geen vergoeding voor haar proceskosten en het betaalde griffierecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
  • bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover die strekt tot de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding;
  • verklaart het hoger beroep voor het overige niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door E. Dijt, voorzitter, en. T. Dompeling en M.E. Fortuin, leden, in tegenwoordigheid van A.M. Korver als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 april 2024.
(getekend) E. Dijt
(getekend) A.M. Korver

Voetnoten

1.Uitspraak van de Raad van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.
2.Uitspraken van de Raad van 20 januari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:244 en van 17 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:359.
3.Uitspraken van de Raad van 14 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3348 en van 3 oktober 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3116.
4.Uitspraken van de Raad 17 februari 2021, ECLI:NL:CRVB:2021:359 en van 21 december 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:2536.