Eiseres heeft beroep ingesteld omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn had beslist op haar asielaanvraag van 23 mei 2024. De rechtbank stelde vast dat de beslistermijn was verstreken en dat de minister niet binnen de door eiseres gestelde aanvullende termijn had beslist.
De rechtbank verklaarde het beroep ontvankelijk en kennelijk gegrond. Hierbij werd aangesloten bij de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die het ‘8+8 wekenmodel’ hanteert, wat inhoudt dat de minister in principe binnen zestien weken na het bekendmaken van deze uitspraak een besluit moet nemen.
De rechtbank legde een rechterlijke dwangsom op van € 100,- per dag dat de minister de beslistermijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50.
De uitspraak werd gedaan zonder zitting en openbaar gemaakt via rechtspraak.nl. De rechtbank gaf tevens aan dat eiseres binnen zes weken een verzetschrift kan indienen indien zij het niet eens is met deze uitspraak.