ECLI:NL:RBDHA:2025:23381

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
9 december 2025
Zaaknummer
SGR 22/5241 en 23/2734
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omgevingsvergunning voor aanbouw aan woning en handhaving van bouwactiviteiten

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 11 november 2025, met zaaknummers SGR 22/5241 en SGR 23/2734, zijn de beroepen van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning voor het bouwen van een aanbouw aan de achterzijde van een woning en de afwijzing van een handhavingsverzoek aan de orde. Eiseres, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. F.K. van den Akker, betwistte de besluiten van het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten. De rechtbank oordeelt dat de omgevingsvergunning terecht is verleend, omdat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan. Eiseres voerde aan dat de aanbouw niet voldoet aan de vergunde eisen, maar de rechtbank concludeert dat de afwijkingen van ondergeschikt belang zijn en dat handhaving onevenredig zou zijn. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres. De beroepen zijn ongegrond verklaard, en eiseres krijgt geen proceskostenvergoeding, maar wel de schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 22/5241 en 23/2734

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 november 2025 in de zaken tussen

[eiseres] uit [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. F.K. van den Akker),
en

het college van burgemeester en wethouders van Voorschoten

(gemachtigde: mr. C.H. Norde).
en

de Staat der Nederlanden, ministerie van Justitie en Veiligheid (de Staat).

Als derde-partij nemen aan de zaken deel:
[derde-partij 1] en [derde-partij 2]uit [plaats] , vergunninghouders
(gemachtigden: mr. C. Teiwes en drs. S.A.N. Geerling).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de beroepen van eiseres tegen 1) het besluit van het college om een omgevingsvergunning te verlenen aan vergunninghouders voor het bouwen van een aanbouw aan de achterzijde van de woning op het perceel [perceel] te [plaats] , alsmede het maken van een doorbraak, het vervangen van de begane grondvloer en het verplaatsen van een doorgang in de woning (SGR 23/2734) en 2) het wijzigingsbesluit van het college met betrekking tot het afwijzen van het handhavingsverzoek van eiseres (SGR 22/5241). Eiseres is het niet eens met deze besluiten. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning en de afwijzing van het handhavingsverzoek.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend en het handhavingsverzoek terecht heeft afgewezen
.Eiseres krijgt dus geen gelijk en de beroepen zijn dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 6 februari 2020 hebben vergunninghouders een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een erker aan de voorgevel en het vervangen van de kozijnen in de voorgevel van de woning. Deze omgevingsvergunning is op 27 maart 2020 verleend. Naar aanleiding van een telefonische melding van eiseres dat vergunninghouders bouwactiviteiten verrichten die vergunningplichtig zijn, heeft een bouwinspecteur van het college op 23 maart 2020 geconstateerd dat een deel van de bouwwerkzaamheden inderdaad zonder de vereiste omgevingsvergunning werden uitgevoerd. Hierop hebben de bouwinspecteur en vergunninghouders afgesproken dat vergunninghouders alsnog de vereiste omgevingsvergunning zullen aanvragen.
2.1.
Op 4 maart 2020 hebben vergunninghouders een aanvraag ingediend voor het maken van een inpandige doorbraak. De aanvraag is op 1 april 2020 aangevuld voor het vervangen van de begane grondvloer en het verplaatsen van een binnenkozijn. Daarnaast voorziet het bouwplan ook in het realiseren van een aanbouw van twee meter diep aan de achterzijde van de woning.
2.2.
In de brief van 2 april 2020 heeft eiseres het college verzocht om handhavend op te treden tegen het bouwen zonder vergunning en overlast door schade en geluid aan de woning.
2.3.
Met het besluit van 3 april 2020 heeft het college aan vergunninghouders een omgevingsvergunning verleend voor het vervangen van een begane grondvloer, het maken van een inpandige doorbraak en het verplaatsen van een binnenkozijn in de woning aan de [perceel] te [plaats] .
2.4.
Met het besluit van 22 juni 2020 heeft het college het handhavingsverzoek van eiseres afgewezen. Met het besluit van 13 oktober 2020 is het college bij afwijzing van het handhavingsverzoek gebleven.
2.5.
Met het besluit van 16 oktober 2020 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit van 3 april 2020 gebleven.
2.6.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de besluiten.
2.7.
De rechtbank Den Haag heeft de besluiten van 13 oktober 2020 en 16 oktober 2020 met de uitspraak van 13 april 2022 [1] vernietigd. Naar het oordeel van de rechtbank Den Haag heeft het college het bouwplan ten onrechte gesplitst in een vergunningplichtig en een vergunningvrij deel. De aanbouw maakte deel uit van de aanvraag en het college heeft ten onrechte geen beslissing genomen omtrent de aanbouw.
2.8.
Met het besluit van 11 juli 2022 heeft het college het bezwaar van eiseres tegen de weigering om handhavend op te treden gegrond verklaard en is alsnog besloten om tot handhaving over te gaan. Daartegen hebben vergunninghouders beroep ingesteld (SGR 22/5241).
2.9.
Met het besluit van 11 juli 2022 is het bezwaar van eiseres tegen de verleende omgevingsvergunning gegrond verklaard. Het college heeft daarom de omgevingsvergunning herroepen en de aanvraag alsnog geweigerd, omdat het bouwplan niet voldoet aan de redelijke eisen van welstand.
2.10.
Op 24 augustus 2022 hebben vergunninghouders een nieuwe aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van de aanbouw aan de achterzijde.
2.11.
Met het besluit van 18 oktober 2022 heeft het college alsnog een omgevingsvergunning verleend.
2.12.
Op 8 november 2022 heeft het college een wijzigingsbesluit, zoals bedoeld in artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), genomen en de op 11 juli 2022 opgelegde last onder dwangsom ingetrokken en het verzoek om handhavend optreden alsnog afgewezen.
2.13.
Eiseres heeft beroepsgronden aangevoerd tegen het wijzigingsbesluit van 8 november 2022 (SGR 22/5241).
2.14.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 oktober 2022. Met het besluit van 2 maart 2023 (het bestreden besluit) heeft het college het primaire besluit van 18 oktober 2022 in stand gelaten. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (SGR 23/2734).
2.15.
De rechtbank heeft de beroepen op 18 september 2025 op zitting behandeld. De beroepen zijn tegelijk behandeld met de beroepen met zaaknummers 21/8227, 22/5241 en 23/2734. Eiseres en haar gemachtigde zijn verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en [naam] . Vergunninghouders en hun gemachtigden zijn verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet
3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wabo is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
3.1.
Het verzoek om handhaving is ingediend op 2 april 2020. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
3.2.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 24 augustus 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo van toepassing blijft.
De standpunten in SGR 22/5241
4. Eiseres betoogt dat de overtreding niet volledig is opgeheven, omdat de uitbouw niet in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning van 18 oktober 2022 is gerealiseerd, aangezien tussen het kozijn en boeiboord zwarte gepotdekselde houten stroken zijn aangebracht in plaats van de vergunde steenstrips. Bovendien is de kleur van de zwarte kozijnen afwijkend van de vergunde witte kleur. Eiseres voert daarbij aan dat deze afwijkingen niet van ondergeschikt belang zijn en dat geenszins vaststaat dat die afwijkingen geen welstandsexces opleveren. Bovendien betoogt eiseres dat de uitbouw hoger is gerealiseerd dan vergund en dat het standpunt van het college dat de afwijkingen vergunningvrij zijn, daarom niet opgaan.
4.1.
Het college heeft zich met het wijzigingsbesluit op het standpunt gesteld dat de uitbouw inmiddels is vergund met het bestreden besluit. Het college betwist niet dat het bouwplan niet geheel conform de vergunning is gerealiseerd, maar stelt zich op het standpunt dat het onevenredig zou zijn om handhavend op te treden op deze afwijkingen die van ondergeschikt belang zijn. Bovendien stelt het college zich op het standpunt dat deze afwijkingen vergunningvrij zijn.
De standpunten in SGR 23/2734
5. Eiseres betoogt dat het bouwwerk aan de achterzijde van de woning ten onrechte is vergund, omdat het bouwwerk geen aanbouw, maar een uitbouw, in de zin van de bestemmingsplanregels is. Aangezien het bouwwerk een uitbouw is, is sprake van strijd met de regels van het bestemmingsplan.
5.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwwerk een aanbouw is en dat dit bouwwerk daarom op grond van artikel 15.2.3, onder a van de planregels is toegestaan.
Het oordeel van de rechtbank
SGR 23/2734
6. De rechtbank beoordeelt eerst de vraag het college de gevraagde omgevingsvergunning mocht verlenen. De rechtbank ziet zich hierbij voor de vraag gesteld of het aangevraagde bouwwerk gekwalificeerd kan worden als een aanbouw.
7. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘West’. Op de gronden waarop het bouwplan is voorzien rust de enkelbestemming ‘Wonen’ en de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 7’.
7.1.
Ingevolge artikel 15.1 zijn deze gronden bestemd voor (onder meer) het wonen in de vorm van grondgebonden eengezinswoningen.
7.2.
Op grond van artikel 15.2 van de planregels mag op deze gronden alleen worden gebouwd ten behoeve van de bestemming en met inachtneming van de in de artikelen 15.2.1 tot en met 15.2.4 opgenomen regels.
7.3.
Op grond van artikel 15.2.1, onder a van de planregels moeten de hoofdgebouwen binnen het bouwvlak worden gebouwd.
7.4.
Op grond van artikel 15.2.3, onder a, van de planregels zijn bij ieder hoofdgebouw aanbouwen en bijgebouwen toegestaan.
7.5.
Artikel 1.3 van de planregels definieert ‘aanbouw’ als volgt: een gebouw dat als afzonderlijke ruimte aan een woning is aangebouwd en in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan en onderscheiden kan worden van de woning, functionele ondergeschiktheid aan de woning is niet vereist, onder aanbouw wordt mede begrepen een aangebouwde overkapping.
7.6.
Artikel 1.41 van de planregels definieert ‘gebouw’ als volgt: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.
7.7.
Artikel 1.43 van de planregels definieert ‘hoofdgebouw’ als volgt: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken.
7.8.
De rechtbank stelt voorop dat het vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) [2] is dat de planregels omwille van de rechtszekerheid zoveel mogelijk letterlijk moeten worden uitgelegd. Daarbij geldt dat de niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan in zoverre betekenis heeft dat deze over de bedoeling van de planwetgever meer inzicht kan geven indien de bestemming en de bijbehorende planregels waaraan moet worden getoetst, op zichzelf noch in samenhang duidelijk zijn. De niet bindende toelichting bij het bestemmingsplan mag dan ook alleen bij de beoordeling worden betrokken wanneer de bestemming of de planregels onduidelijk zijn.
De bedoeling van de planwetgever kan niet afdoen aan wat in planregels ondubbelzinnig is bepaald.
7.9.
De rechtbank overweegt dat het geschil zich toespitst op de vraag wat onder een ‘afzonderlijke ruimte’, zoals gedefinieerd in artikel 1.3 van de planregels, valt.
7.10.
Eiseres betoogt dat de tekst van de regeling duidelijk is en dat een afzonderlijke ruimte inhoudt dat het moet gaan om een afgescheiden ruimte die te onderscheiden valt van een ruimte in het hoofdgebouw. De onderhavige uitbouw betreft een vergroting van de keuken, die deels is gelegen in de bestaande woning en van daaruit doorloopt in de uitbouw. Er is dus geen sprake van een afzonderlijke ruimte, maar van een vergroting van een bestaande ruimte.
7.11.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwwerk enkel architectonisch van buitenaf als afzonderlijke ruimte te onderscheiden hoeft te zijn. Niet is vereist dat het bouwkundig als afzonderlijke ruimte kan worden onderscheiden van de ruimten in het hoofdgebouw. Het college verwijst hiervoor naar de toelichting bij het bestemmingsplan, waarin wordt bevestigd dat de planregeling geen onderscheid maakt tussen aan- en uitbouwen.
8. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de toevoeging “afzonderlijke ruimte”, die in de planregels verder niet is gedefinieerd, niet duidelijk en eenduidig dat het moet gaan om een van het hoofdgebouw bouwkundig afgescheiden ruimte. Als dat beoogd was had het in de rede gelegen dat de planwetgever in aansluiting op definitie van het begrip “gebouw” in artikel 1.41 zou hebben opgenomen dat het moet gaan om een bouwwerk dat een geheel met wanden omsloten ruimte vormt. De toevoeging laat ook ruimte voor de uitleg van het college dat slechts vereist is dat het bouwwerk architectonisch van buitenaf als afzonderlijke ruimte te onderscheiden is van het hoofdgebouw. Bovendien wordt in de toelichting op de bestemming wonen onder het kopje “erfbebouwing”, onder verwijzing naar de opgenomen schema’s en de in bijlage 2 opgenomen erfbebouwingsregeling, in een voetnoot duidelijk vermeld dat in de planregeling geen onderscheid wordt gemaakt tussen aan- en uitbouwen. Uit de toelichting in bijlage 2 blijkt dat erfbebouwingsregeling die in de planregels is opgenomen ziet op het realiseren van aan-, uit- en bijgebouwen buiten het bouwvlak. Bij de toelichting op artikel 15.2.3. van de planregels, waarin staat dat aanbouwen en bijgebouwen buiten het bouwvlak onder voorwaarden zijn toegestaan, wordt bij de toelichting op die voorwaarden ook steeds gesproken van aan-, uit- en bijgebouwen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college terecht aangenomen dat wel sprake is van een aanbouw die toegestaan is op grond van laatstgenoemd artikel uit de planregels en dat het bouwplan niet in strijd is met het bestemmingsplan.
8.1.
In het licht van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het college de omgevingsvergunning terecht heeft verleend. Het betoog slaagt niet.
SGR 22/5241
9. De rechtbank stelt vast dat eiseres heeft erkend dat het handhavingsbesluit terecht is ingetrokken voor de onderdelen waarvoor inmiddels vergunning is verleend. Eiseres is het er echter niet mee eens dat tussen het kozijn en boeiboord zwarte gepotdekselde houten stroken zijn aangebracht in plaats van de vergunde steenstrips en zij is het ook niet eens met de zwarte kleur van de kozijnen die afwijkt van de vergunde witte kleur. Volgens eiseres zijn deze afwijkingen niet vergunningvrij, omdat deze activiteiten plaatsvinden op een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de Wabo is gebouwd. Het bouwwerk is volgens eiseres in strijd met artikel 2.1 van de Wabo gebouwd omdat de aanbouw hoger is dan de vergunde 2,90 meter.
Is sprake van een overtreding?
Bouwhoogte
9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanbouw niet hoger is dan 2,90 meter. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat de aanbouw hoger is gerealiseerd dan de vergunde 2,90 meter. Zij heeft enkel op basis van een op een foto van de achterzijde door haar zelf aangebrachte lijn geconcludeerd dat de bouwhoogte hoger is dan de bovenzijde van haar balkon, dat volgens de tekening 2.896 meter boven peil zou zijn. De rechtbank overweegt hiertoe dat de bouwhoogte vastgesteld dient te worden door vanaf het maaiveld te meten. Eiseres heeft dat niet gedaan.
De zwarte gepotdekselde houten stroken en zwarte kozijnen
9.2.
Ingevolge artikel 2, onderdeel 7 van bijlage II bij het Bor is een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet niet vereist indien deze activiteiten betrekking hebben op:
[…]
een kozijn, kozijninvulling of gevelpaneel, mits in de achtergevel, of een niet naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijgevel van een hoofdgebouw, dan wel in een gevel van een bijbehorend bouwwerk, voor zover die gevel is gelegen in achtererfgebied op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied, tenzij geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
9.3.
Ingevolge artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor zijn de artikelen 2 en 3 niet van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een bouwwerk dat in strijd met artikel 2.1 van de wet is gebouwd of wordt gebruikt.
9.4.
De rechtbank overweegt dat de tussen het kozijn en boeiboord aangebrachte zwarte gepotdekselde houten stroken en de zwarte kleur van de kozijnen activiteiten zijn die vallen onder artikel 2, onderdeel 7 van bijlage II bij het Bor. De rechtbank is echter van oordeel dat deze bepaling niet van toepassing is op grond van de uitzondering in artikel 5, tweede lid, van bijlage II bij het Bor, nu de aanbouw, vanwege deze daarop aangebrachte afwijkingen, in strijd met de verleende omgevingsvergunning en derhalve in strijd met artikel 2.1. van de Wabo is opgericht.
9.5.
Er is daarom wel sprake van een overtreding voor zover tussen het kozijn en boeiboord zwarte gepotdekselde houten stroken zijn aangebracht in plaats van de vergunde steenstrips en voor zover de kozijnen een zwarte kleur hebben in plaats van de vergunde witte kleur.
Beginselplicht tot handhaving
10. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling geldt als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Bij de vraag of van handhavend optreden mag worden afgezien, moet worden beoordeeld of handhavend optreden onevenredig is. Bij handhavingsbesluiten geldt bij de toets aan het evenredigheidsbeginsel de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak (uitspraak van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285). [3] Dit betekent dat de bestuursrechter toetst of het besluit geschikt en noodzakelijk is, en daarna of het besluit in de gegeven omstandigheden evenwichtig is. Of deze drie elementen aan bod komen, hangt af van de aangevoerde beroepsgronden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Is handhavend optreden evenredig?
10.1
Het college stelt zich op het standpunt dat het onevenredig is om van vergunninghouders te verlangen dat de aanbouw in overeenstemming met de verleende omgevingsvergunning wordt gebracht door de kleur van de kozijnen te wijzigen en de zwarte gepotdekselde houten stroken te vervangen door steenstrips. Het college betrekt daarbij dat vergunninghouders, na voldoening aan een daartoe strekkende last, het bouwwerk wel weer vergunningvrij terug mogen brengen in de staat waarin het zich nu bevindt, waarvoor dan geen welstandstoets van toepassing is. Het college acht handhavend optreden ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel. Vergunninghouder mocht aan een mail van 23 juni 2022 van de secretaris van de Welstandscommissie de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat na vergunningverlening op een (nieuwe) aanvraag voor een aanbouw met witte houten kozijnen en steenstrips geen wijzigingen in de gevel meer hoefde te worden aangebracht, althans dat daartegen niet handhavend zou worden opgetreden nu de welstandscommissie reeds heeft geadviseerd dat er geen sprake is van een welstandsexces.
10.2
De rechtbank stelt vast dat eiseres tegen dit standpunt van het college en de daaraan ten grondslag liggend belangenafweging geen gemotiveerde beroepsgronden heeft aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat het besluit om af te zien van handhaving berust op een ontoereikende motivering. Het beroep slaagt niet.
Overschrijding van de redelijke termijn
11. Eiseres verzoekt om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn uit artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
11.1.
De redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. In zaken met een voorafgaande bezwaarschriftprocedure vangt de termijn aan op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan. De termijn eindigt op het moment waarop de rechter uitspraak doet. De redelijke termijn is voor een procedure in twee instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan twee jaar heeft geduurd, waarbij de behandeling van het bezwaar ten hoogste zes maanden en de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar mag duren gerekend vanaf het moment waarop het rechtsmiddel is ingesteld. [4] Of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij is van belang de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop deze door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van betrokkene gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van betrokkene. Bij de toekenning van de schadevergoeding moet de rechtbank verder beoordelen in hoeverre de overschrijding van de redelijke termijn is toe te rekenen aan het college respectievelijk aan de rechtbank. De schadevergoeding moet vervolgens naar evenredigheid worden uitgesproken.
11.2.
Het college heeft het bezwaarschrift van eiseres in SGR 23/2734 op 28 november 2022 ontvangen. In de uitspraak van vandaag beslist de rechtbank op dit beroep. Vanaf de ontvangst van de bezwaarschriften is twee jaar en 11 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn in SGR 23/2734 met 11 maanden is overschreden. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken.
11.3.
Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan dat de termijn wordt overschreden, leidt dit tot een schadevergoeding van € 1.000. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank is toe te rekenen, komt de schadevergoeding volledig ten laste van de Staat.
11.4.
Het college heeft in zaak SGR 22/5241 de gronden tegen het wijzigingsbesluit op 19 december 2022 ontvangen. In de uitspraak van vandaag beslist de rechtbank op het beroep. Vanaf de ontvangst van de gronden zijn twee jaar en 11 maanden verstreken. Dat betekent dat de redelijke termijn met 11 maanden is overschreden. Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn verlengd zou moeten worden, zijn niet gesteld of gebleken.
11.5.
Uitgaande van een vergoeding van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan dat de termijn wordt overschreden, leidt dit tot een schadevergoeding van € 1.000. Omdat de overschrijding van de redelijke termijn geheel aan de rechtbank is toe te rekenen, komt de schadevergoeding volledig ten laste van de Staat.
11.6.
De rechtbank ziet echter aanleiding om het recht op een schadevergoeding te matigen tot € 1.000,-, nu sprake is van samenhangende zaken, omdat de zaken gezamenlijk zijn behandeld en beslist en zij in hoofdzaak betrekking hebben op hetzelfde onderwerp. [5]
11.7.
Omdat aanleiding bestaat om de Staat te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-, wordt de Staat ook veroordeeld in de proceskosten die zien op het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade, met een wegingsfactor 0,25 [6] ).

Conclusie en gevolgen

12. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten. De rechtbank wijst wel het verzoek om schadevergoeding toe en bepaalt dat de Staat een schadevergoeding van € 1.000,- aan eiseres betaalt vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Bovendien wordt de Staat veroordeeld in de proceskosten van € 226,75 die verband houden met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen ongegrond;
  • veroordeelt de Staat tot het betalen van een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn aan eiseres tot een bedrag van € 1.000,-;
  • veroordeelt de Staat in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 226,75.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 13 april 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:4007.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 februari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:820.
3.Uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:700.
6.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Hoge Raad van 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1526.