ECLI:NL:RBDHA:2025:23824
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Zwitserland op grond van Dublinverordening
Eiser diende op 7 augustus 2025 in Nederland een asielaanvraag in, maar de minister nam deze niet in behandeling omdat Zwitserland verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De minister baseerde zich op artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 en het interstatelijk vertrouwensbeginsel, gesteund door het feit dat Zwitserland het verzoek tot terugname had aanvaard.
Eiser voerde aan dat Zwitserland tekortkomingen vertoont in de opvang en behandeling van asielzoekers en dat er risico is op indirect refoulement, onderbouwd met rapporten en een uitspraak van het VN-Comité tegen Foltering. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht uitgaat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, omdat er geen concrete aanwijzingen zijn voor structurele tekortkomingen die een schending van artikel 3 EVRM Pro en artikel 4 EU Pro-Handvest rechtvaardigen.
Daarnaast stelde eiser dat artikel 17 van Pro de Dublinverordening toegepast had moeten worden vanwege bijzondere individuele omstandigheden. De rechtbank vond dat de minister dit voldoende heeft gemotiveerd en dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en kan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag wordt ongegrond verklaard.