ECLI:NL:RBDHA:2025:23833

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 november 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
25/7631
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Huisvestingswet 2014Art. 5:2 Huisvestingsverordening Den Haag 2023Art. 3:4 Algemene wet bestuursrechtArt. 3:2 Algemene wet bestuursrechtArt. 3 Verdrag inzake de rechten van het kind
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens onvergunde onzelfstandige bewoning

Verzoekster, een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een last onder dwangsom die aan de eigenaar en huurder van de woning is opgelegd wegens onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan twee bewoners.

De last onder dwangsom is opgelegd na een inspectie op 29 januari 2025, waarbij is vastgesteld dat verzoekster en haar kinderen al vijf maanden in de woning verbleven zonder dat sprake was van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden met de huurder. Verweerder heeft de begunstigingstermijn verlengd tot 24 november 2025.

Verzoekster stelde dat het besluit in strijd is met het evenredigheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en dat zij geen reële alternatieven voor huisvesting heeft. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht handhavend heeft opgetreden en dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat het onmogelijk was vervangende woonruimte te vinden.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat het aan verzoekster is om vervangende woonruimte te vinden. Er bestaat geen aanleiding om de begunstigingstermijn verder te verlengen. De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens onvergunde onzelfstandige bewoning wordt afgewezen; verzoekster moet woning uiterlijk 24 november 2025 verlaten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/7631

uitspraak van de voorzieningenrechter van 21 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. T.M.T. Konings).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het opleggen van een last onder dwangsom vanwege onvergunde onzelfstandige bewoning. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
1.1.
Verweerder heeft met het besluit van 8 mei 2025 aan de eigenaar en aan de huurder van [adres] in [plaats] een last onder dwangsom opgelegd wegens onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan twee bewoners en bepaald dat de overtreding vóór 25 augustus 2025 moet zijn beëindigd. In het geval de overtreding na die datum niet is beëindigd, verbeuren de eigenaar en de huurder van de woning een dwangsom van € 7.500,-. Verzoekster heeft hier als medebewoonster bezwaar tegen gemaakt en om een voorlopige voorziening gevraagd.
1.2.
Verweerder heeft de begunstigingstermijn op 22 augustus 2025 verlengd tot en met 24 november 2025. Ook hiertegen heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Zij heeft het verzoek om een voorlopige voorziening ingetrokken. [1]
1.3.
Bij besluit van 24 oktober 2025 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld en om een voorlopige voorziening gevraagd. [2]
1.4.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekster, de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 29 januari 2025 is de woning aan [adres] in [plaats] geïnspecteerd na een melding vanuit het meld- en steunpunt woonoverlast. Tijdens deze inspectie is vastgesteld dat de woning onzelfstandig wordt bewoond zonder de daarvoor vereiste vergunning. Dit is een overtreding. [3] Naast de huurder, zijn partner en meerderjarige zoon wonen ook verzoekster en haar twee minderjarige kinderen in de woning. De huurder heeft verklaard dat verzoekster een goede vriendin van hem is en dat zij vanwege persoonlijke omstandigheden tijdelijk bij het gezin inwonen. Verweerder heeft aan de eigenaar en aan de huurder van de woning een last onder dwangsom opgelegd. Zij moeten de overtreding uiterlijk op 24 november 2025 beëindigen en beëindigd houden op straffe van een dwangsom. Dit betekent dat verzoekster en haar kinderen de woning uiterlijk op 24 november 2025 moeten verlaten. De eigenaar en de huurder hebben zelf geen bezwaar gemaakt tegen de last onder dwangsom. In deze zaak beoordeelt de voorzieningenrechter of zij aanleiding ziet om de last tijdelijk op te schorten zodat verzoekster langer de tijd heeft om vervangende woonruimte te zoeken.
Wat vindt verzoekster?
3. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel [4] en het motiveringsbeginsel. De gevolgen van het bestreden besluit zijn onevenredig zwaar. Verzoekster is een alleenstaande moeder met minderjarige kinderen, zonder reële alternatieven voor huisvesting en met beperkte financiële middelen. Het opleggen van een last onder dwangsom met als mogelijk gevolg dakloosheid is niet proportioneel. Verweerder had de evenredigheid actief moeten toetsen, verzoekster wijst op een uitspraak van de Afdeling van 2 februari 2022. [5] Verweerder had ook nader onderzoek moeten doen naar de feitelijke woonpositie van verzoekster, de beschikbaarheid van alternatieve woonruimte en de gevolgen van de last voor de kinderen [6] . Bij het bepalen van de begunstigingstermijn is ook onvoldoende rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoekster en haar kinderen. Verzoekster heeft ondanks haar inspanningen geen huisvesting gevonden. Zij heeft zich ingeschreven bij verschillende woningcorporaties, heeft geprobeerd om een urgentieverklaring aan te vragen en om woonruimte te vinden in de vrije sector (met behulp van betaalde websites). Zij verzoekt de voorzieningenrechter om te bepalen dat verzoekster en haar kinderen in de woning kunnen blijven totdat er een alternatieve woonruimte is gevonden en er geen dwangsommen zullen worden verbeurd zo lang zij nog geen vervangende woonruimte heeft.
Wat vindt verweerder?
4. Verweerder betwist niet dat verzoekster een spoedeisend belang heeft nu zij en haar kinderen uiterlijk op 24 november 2025 de woning moeten verlaten. De gronden zijn min of meer hetzelfde als in bezwaar, verweerder verwijst naar het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften en benadrukt dat verzoekster vanaf 29 januari 2025 kon verwachten dat handhavend zou worden opgetreden. Verweerder begrijpt dat het door de krapte op de woningmarkt niet eenvoudig is om vervangende woonruimte te vinden, maar ziet daarin geen aanleiding om af te zien van handhaving of de begunstigingstermijn nogmaals te verlengen. Hij wijst op een uitspraak van de Afdeling van 16 september 2024. [7]
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Spoedeisend belang
6. Hoewel verzoekster niet is aangemerkt als overtreder is zij als bewoonster wel belanghebbende bij het besluit. [8] Verweerder heeft de begunstigingstermijn verlengd tot en met 24 november 2025. Dit betekent dat verzoekster en haar kinderen uiterlijk op die datum de woning moeten verlaten omdat de eigenaar dan wel de huurder anders een dwangsom verbeuren. Omdat zij gelet op de last de woning zal moeten verlaten, heeft verzoekster naar het oordeel van de voorzieningenrechter spoedeisend belang bij haar verzoek.
Voorlopig rechtmatigheidsoordeel
7. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht een last onder dwangsom opgelegd aan de eigenaar en de huurder vanwege onvergunde onzelfstandige bewoning. Verzoekster voert voor het eerst op zitting aan dat volgens haar geen sprake is van onzelfstandige bewoning. Zij heeft geen huurovereenkomst met de eigenaar gesloten en er is geen sprake van onderhuur. Zij wonen slechts tijdelijk in bij het gezin waarmee zij bevriend is. Dit zou volgens verzoekster betekenen dat je nooit familie of vrienden bij je thuis kunt laten verblijven. Het is echter niet in geschil dat van kortdurend verblijf geen sprake was. Verzoekster en haar twee minderjarige kinderen woonden op het moment van de inspectie al zo’n vijf maanden in de woning en er was geen zicht op vervangende woonruimte. Verzoekster en haar kinderen vormen geen duurzaam gemeenschappelijk gezin met de huurder en zijn gezin. Dit betekent dat de woonruimte onzelfstandig in gebruik is door meer dan twee personen. Dat de bewoners geen duurzaam gemeenschappelijk gezin vormen, blijkt ook uit de verklaring van verzoekster dat het haar bedoeling was om slechts tijdelijk in de woning te verblijven. Verzoekster voert verder voor het eerst op zitting aan dat verweerder had moeten afzien van handhaving met toepassing van de hardheidsclausule. De voorzieningenrechter overweegt dat nu sprake is van een overtreding verweerder in beginsel gehouden is om daar tegen op te treden. De omstandigheden van verzoekster zijn niet dusdanig bijzonder dat verweerder van handhaving had moeten afzien. Dat (een deel van de) bewoners hun woning moeten verlaten is inherent aan het toepassen van bestuursdwang bij onvergunde zelfstandige bewoning. Vanwege krapte op de woningmarkt is het lastig om alternatieve woonruimte te vinden, maar verweerder wijst er onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 september 2024 terecht op dat dat op zichzelf geen reden is om af te zien van handhaving. Het is bovendien in de eerste plaats aan de eigenaar van de woning om de situatie te legaliseren en alsnog een vergunning aan te vragen om de woonruimte om te zetten van zelfstandig naar onzelfstandig. Dit heeft de eigenaar niet gedaan. Verweerder had in het kader van een dergelijke aanvraag een beroep op de hardheidsclausule kunnen beoordelen. [9]
8. De voorzieningenrechter is verder van oordeel dat er geen aanleiding bestaat om de begunstigingstermijn (verder) te verlengen. In dit specifieke geval heeft verweerder ervoor gekozen om een langere begunstigingstermijn te hanteren, in plaats van de gebruikelijke twee tot tien weken. Verweerder heeft op zitting benadrukt dat hij de belangen van de minderjarige kinderen heeft meegewogen bij de beslissing om de begunstigingstermijn (verder) te verlengen. De overtreding moest op 25 augustus 2025 zijn beëindigd, verweerder heeft de begunstigingstermijn verlengd tot en met 24 november 2025. Verzoekster was aanwezig bij de inspectie op 29 januari 2025. Sindsdien zijn bijna tien maanden verstreken. Zij is op een gegeven moment ook op de hoogte geraakt van de (definitieve) beslissing dat zij de woning zal moeten verlaten. Het is aan verzoekster om vervangende woonruimte te vinden en om aan te tonen dat zij zich daarvoor ook inspant. Verzoekster heeft verklaard dat het altijd al haar bedoeling is geweest om slechts tijdelijk op het adres te verblijven. Zij heeft op zitting toegelicht dat het eerder lastig was om woonruimte te vinden gelet op haar verblijfsstatus. Zij heeft inmiddels documenten die aantonen dat zij een van haar kind afgeleid verblijfsrecht heeft. Verzoekster heeft geen stukken overgelegd die deze verklaring onderbouwen. Zij heeft daarbij in het geheel geen stukken overgelegd die haar pogingen om vervangende woonruimte te vinden onderbouwen. Dat het onmogelijk was om gedurende deze periode vervangende woonruimte te vinden, heeft zij naar het oordeel van de voorzieningenrechten niet aannemelijk gemaakt.
9. De voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster graag met haar minderjarige kinderen in de woning wil blijven wonen, die bovendien in de buurt is van de scholen van haar kinderen. Zij heeft verklaard dat zij eerder niet in aanmerking kwam voor opvang, omdat zij op dat moment nog over woonruimte beschikte. De voorzieningenrechter raadt verzoekster aan om opnieuw in contact te treden met verweerder en de verschillende instanties, zodat zij waar mogelijk, ondersteuning kan krijgen bij het vinden van vervangende woonruimte of een tijdelijk opvangadres voor haar gezin.

Conclusie en gevolgen

10. Het voorgaande betekent dat de last onder dwangsom naar verwachting in de bodemprocedure in stand zal blijven. Er is daarom geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E. van den Nieuwendijk, griffier. Het dictum is per e-mail aan de gemachtigden meegedeeld op 21 november 2025 omstreeks 15:10.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer SGR 25/5243.
2.Verzoek om voorlopige voorziening met zaaknummer SGR 25/7631, het onderhavige verzoek.
3.Artikel 21, eerste lid, aanhef en onder c, van de Huisvestingswet 2014 in samenhang gelezen met artikel 5:2, aanhef en onder b, van de Huisvestingsverordening Den Haag 2023.
4.Artikel 3:4, tweede lid, en artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
5.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, r.o. 7.10.
6.Ingevolge artikel 3 van Pro het Verdrag inzake de rechten van het kind.
7.Uitspraak van de Afdeling van 16 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3706, r.o. 5.3.
8.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3808, r.o. 2.3.
9.Artikel 7:3 van Pro de Huisvestingsverordening Den Haag 2023, (hardheidsclausule).