ECLI:NL:RBDHA:2025:23833
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens onvergunde onzelfstandige bewoning
Verzoekster, een alleenstaande moeder met twee minderjarige kinderen, heeft een voorlopige voorziening gevraagd tegen een last onder dwangsom die aan de eigenaar en huurder van de woning is opgelegd wegens onvergunde onzelfstandige bewoning door meer dan twee bewoners.
De last onder dwangsom is opgelegd na een inspectie op 29 januari 2025, waarbij is vastgesteld dat verzoekster en haar kinderen al vijf maanden in de woning verbleven zonder dat sprake was van een duurzaam gemeenschappelijk huishouden met de huurder. Verweerder heeft de begunstigingstermijn verlengd tot 24 november 2025.
Verzoekster stelde dat het besluit in strijd is met het evenredigheids-, zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en dat zij geen reële alternatieven voor huisvesting heeft. De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder terecht handhavend heeft opgetreden en dat verzoekster onvoldoende heeft onderbouwd dat het onmogelijk was vervangende woonruimte te vinden.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af en benadrukt dat het aan verzoekster is om vervangende woonruimte te vinden. Er bestaat geen aanleiding om de begunstigingstermijn verder te verlengen. De uitspraak bindt niet in een eventueel bodemgeding.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen last onder dwangsom wegens onvergunde onzelfstandige bewoning wordt afgewezen; verzoekster moet woning uiterlijk 24 november 2025 verlaten.